Handgeschreven ambtelijke notitie / verslag.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / verslag. 5 juni 1944. Heer Poeland geloofd inzake Donker
op 5 Juni 44
—
Bepaalde voorschriften als b.v. 100 M. bij elkaar
eigenlijk niet doorslaggevend zijn de om-
standigheden der buurt als b.v. aantal gezinnen
& aantal groente & fruit zaken op dit
aantal gezinnen.
Toen Donker circa April 44 Rapenburg aan-
vroeg liep er al een schrijven aanvraag
van van Rijn (groente & fruit) op Rapenbur-
straat 78 en was reeds door het Departement
toestemming gegeven voor een zaak t.n.v.
van Poelem alleen voor groente & fruit
op Rapenburg 7.
Donker kwam derhalve wat laat zijn aanvraag
betrof juist een vestiging tussen bovengenoemde
2 zaken in.
Tussen van Poelem en aanvraag Donker
zijn slechts 120 woonhuizen welke slechts
voor ± 1/4 bewoond zijn aangezien de Joden
weggehaald zijn.
Tussen v Rijn & Donker slechts 16 woonhuizen
eveneens niet vol bezet. Het document is een verslag van een ambtenaar of inspecteur betreffende een vestigingsvergunning voor een groentewinkel aan het Rapenburg in Leiden. De kern van het geschil is dat de aanvrager (Donker) zich wil vestigen tussen twee reeds bestaande of vergunde zaken (Van Poelem op nummer 7 en Van Rijn op nummer 78).
De auteur van de notitie beargumenteert dat niet de fysieke afstand (de "100 meter regel"), maar de draagkracht van de buurt (het aantal gezinnen per winkel) doorslaggevend moet zijn. De belangrijkste bevinding in de analyse is de enorme leegstand in de buurt. Er wordt specifiek vermeld dat tussen de locaties van Van Poelem en Donker 120 huizen staan, waarvan slechts een kwart bewoond is. Dit document is historisch zeer significant vanwege de expliciete reden die wordt gegeven voor de leegstand van de woningen: "aangezien de Joden weggehaald zijn."
Het document dateert van 5 juni 1944, één dag voor D-Day. Op dit punt in de Tweede Wereldoorlog was de Jodenvervolging in Nederland in de laatste fase; de meeste Joodse bewoners van de Leidse binnenstad (waar het Rapenburg een prominente gracht is) waren in 1943 al gedeporteerd via Westerbork naar de vernietigingskampen.
De notitie toont de kille, bureaucratische realiteit van die tijd: de deportatie van de Joodse bevolking wordt hier niet behandeld als een morele tragedie, maar als een economische factor (minder consumenten) die de weigering van een winkelvergunning voor een groenteman rechtvaardigt. Het illustreert hoe de "sociale kaart" van de stad door de Holocaust was veranderd en hoe dit doorwerkte in alledaagse administratieve beslissingen.