Handgeschreven ambtelijke notitie / memo.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / memo. 22 juli 1944. Circulaire 586 CM 1944
d.d. 5 juli v. Weth. Fin.
Dit betreft niet de
gevolgen van de ariseering
der markten welke
twee jaar geleden tot
stand is gekomen maar
van de evacuatie van
Joodsche personen.
Of er in hoeverre deze
invloed heeft gehad
op de inkomsten en
uitgaven der markten
is niet na te gaan.
Tegenover de evacuatie
van Joodsche personen
staat trouwens ook
weer de vestiging van
anderen.
22 juli 44
[paraaf] Dit document is een ambtelijke reactie op een circulaire van de Wethouder van Financiën uit juli 1944. De schrijver maakt een scherp onderscheid tussen twee processen:
1. De 'ariseering' (arisering): Het onteigenen van Joodse marktkramen en bedrijven en het overdragen daarvan aan niet-Joden. Volgens de notitie vond dit proces grotendeels twee jaar eerder plaats (ca. 1942).
2. De 'evacuatie': Een eufemisme voor de deportatie van Joodse burgers.
De kern van de notitie is een zakelijke, bijna kille berekening: de ambtenaar stelt dat het onmogelijk is om vast te stellen of de deportatie van Joden een negatief effect heeft gehad op de marktinkomsten. De reden hiervoor is dat de opengevallen plaatsen onmiddellijk werden ingenomen door "anderen" (niet-Joodse ondernemers), waardoor de balans tussen inkomsten en uitgaven voor de gemeente ogenschijnlijk gelijk bleef. Het document dateert van juli 1944, een periode waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland nagenoeg voltooid waren. De terminologie ("ariseering", "evacuatie") is kenmerkend voor het nationaalsocialistische taalgebruik dat door de Nederlandse bureaucratie werd overgenomen.
Het geeft een ontluisterend beeld van de "banaliteit van het kwaad": de systematische vernietiging van de Joodse gemeenschap wordt hier gereduceerd tot een administratief vraagstuk over de exploitatie van marktgelden. Het document illustreert hoe de gemeentelijke administratie meewerkte aan de economische uitsluiting van Joden en hoe zij de gevolgen van de Holocaust puur boekhoudkundig benaderde. De verwijzing naar de "Wethouder van Financiën" duidt op een gemeentelijke context, zeer waarschijnlijk Amsterdam, gezien de omvang van de Joodse marktsector aldaar.