Ambtelijke brief (doorslag/kopie).
Origineel
Ambtelijke brief (doorslag/kopie). 2 augustus 1944. De waarnemend Directeur van de Dienst der Markten (vermoedelijk Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam. [Bovenaan met de hand geschreven in blauw potlood:]
Verzonden 2/8
20/1/9bM. 1 2 Augustus 1944. SV.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
===========
In bijlage dezes heb ik de eer U af-
schrift te doen toekomen van een rapport van
twee ambtenaren van mijn dienst, waaruit blijkt,
dat Mevrouw A.M.M.Stork-Meiners op de Noorder-
markt tweede-handsch-schoenen aan het publiek
te koop heeft aangeboden, terwijl zij niet ge-
rechtigd was op deze markt een plaats in te
nemen. Aan Mevrouw Stork-Meiners voornoemd is
namelijk een legitimatiekaart verstrekt uit-
sluitend voor het bezetten van een marktplaats
op de markt Albert Cuypstraat. Op grond hiervan
heb ik Mevrouw Stork-Meiners gestraft met ont-
neming van het recht tot het innemen van een
plaats op een der markten te dezer stede voor
den tijd van 14 dagen, namelijk van Zaterdag 5
tot en met Vrijdag 18 Augustus 1944.
Ik ben van meening, dat Mevrouw Stork-
Meiners voor langeren tijd moet worden geweerd
van de Dagmarkten te dezer stede en ik geef U
mitsdien beleefd in overweging wel te willen be-
vorderen, overeenkomstig het bepaalde in
artikel 39 van het Reglement op de Markten, dat
zij door den Burgemeester wordt gestraft met ont
neming van het recht tot het bezetten van een
plaats op een der dagmarkten te dezer stede
voor den tijd van 6 maanden, zulks met ingang
van 19 Augustus 1944. —
De Directeur,
wnd.
Accoord met door Directeur
geparafeerde minute.
De Secretaris: De brief betreft een verzoek tot strafverzwaring voor een markthandelaarster. Mevrouw Stork-Meiners werd betrapt op de Noordermarkt terwijl zij slechts een vergunning (legitimatiekaart) had voor de Albert Cuypmarkt. Zij verkocht daar tweedehands schoenen.
De waarnemend directeur heeft haar reeds een tijdelijk verbod van 14 dagen opgelegd, maar adviseert de wethouder om de Burgemeester te verzoeken dit uit te breiden naar een verbod van 6 maanden op alle dagmarkten in de stad, gebaseerd op artikel 39 van het Marktreglement. De formele toon ("heb ik de eer U afschrift te doen toekomen") is typerend voor de ambtelijke correspondentie van die tijd. Het document dateert uit augustus 1944, de eindfase van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van extreme schaarste aan goederen, waaronder schoeisel. De handel was strikt gereguleerd om de zwarte markt in te dammen.
De Noordermarkt en de Albert Cuypmarkt waren (en zijn) centrale handelsplaatsen in Amsterdam. Het feit dat er zo zwaar wordt getild naar een "overtreding van de standplaats" (6 maanden uitsluiting) duidt op een streng handhavingsbeleid tijdens de oorlogsjaren, waarbij illegale handel of handel buiten de toegewezen zones streng werd bestraft. De Burgemeester van Amsterdam was op dat moment de pro-Duitse Edward Voûte. Voor een kleine handelaar betekende een uitsluiting van zes maanden vaak een directe bedreiging voor het dagelijks bestaan.