Getypte ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag). 24 januari 1940. Vermoedelijk een directeur of beheerder van de Centrale Markt (ondertekend met "H. Mulder"). h. Mulder [handgeschreven]
vP/DV.
64/55/4 M.
24 Januari 1940.
Ontbinding huurcontract
pakhuisafdeeling Centrale
Markt.
den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen,
A l h i e r.
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 19
dezer om nader advies ontvangen stukken No. 60/1 L.M.1940 heb
ik de eer U te berichten, dat B. van Thijn eenige jaren geleden
failliet is geweest. Zijn faillissement is eind 1937 geëindigd;
volgens mededeeling van zijn curator is toen aan de concurren-
te schuldeischers, die tezamen een bedrag van ongeveer ƒ 6000
te vorderen hadden, 1% uitgekeerd. Van Thijn is eind December
jl. van de Centrale Markt verdwenen; hij deelde mij mede, dat
hij van plan is geweest om ondersteuning aan te vragen, doch
dat hij, nadat hij ongeveer veertien dagen geen zaken meer had
gedaan, door vrienden aan eenig handelsgeld is geholpen. Hij
bezet thans wederom een plaats in de hal op de Centrale Markt
waar hij echter slechts weinig goederen ten verkoop voorradig
heeft. Ten bewijze van zijn financieele onmacht diene nog, dat
hij aanvankelijk voor de inkomstenbelasting 1939-1940 is aange-
slagen geweest voor een zuiver inkomen van ƒ 1717,--. Bij be-
schikking d.d. 18 Januari jl. is hem evenwel ontheffing van
de verschuldigde belasting verleend op grond van de overwe-
ging, dat het zuiver inkomen nader wordt vastgesteld beneden
de grens van belastbaarheid.
Op grond van het bovenstaande lijkt mij de financiee-
le onmacht van Van Thijn alleszins bewezen; ik geef U mitsdien
[tekst breekt hier af] Deze brief vormt een ambtelijk advies aan de Amsterdamse wethouder voor de Levensmiddelen aangaande de beëindiging van een huurcontract voor een pakhuisruimte. De centrale figuur is de koopman B. van Thijn, wiens financiële situatie door de schrijver uitvoerig wordt geanalyseerd om aan te tonen dat hij niet langer aan zijn verplichtingen kan voldoen.
De argumentatie steunt op drie pijlers:
1. Historisch faillissement: Van Thijn was in 1937 failliet gegaan, waarbij schuldeisers slechts 1% van hun vorderingen zagen terugbetaald.
2. Actuele bedrijfsvoering: Hij was korte tijd van de markt verdwenen, overwoog steun aan te vragen en drijft nu slechts op kleine schaal handel met geleend geld van vrienden.
3. Fiscale status: Hoewel hij aanvankelijk werd aangeslagen voor een inkomen van 1717 gulden, is hij hiervan ontheven omdat zijn werkelijke inkomen onder de belastbare grens bleek te liggen.
De conclusie van de schrijver is duidelijk: de "financiële onmacht" is bewezen, wat de weg vrijmaakt voor de ontbinding van het huurcontract. Het document dateert van januari 1940, slechts enkele maanden voor de Duitse inval in Nederland. De "Centrale Markt" in Amsterdam (gelegen aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de voedseldistributie in de stad.
De naam 'Van Thijn' is een veelvoorkomende Joodse familienaam in de Amsterdamse handelswereld van die tijd. Gezien de economische malaise van de jaren '30 en de naderende oorlogsdreiging, schetst dit document een indringend beeld van de overlevingsstrijd van kleine zelfstandigen op de markt. Het ambtelijke jargon ("kantbrief", "mitsdien") en de nauwkeurige vermelding van bedragen illustreren de bureaucratische zorgvuldigheid waarmee de gemeente Amsterdam het beheer van de marktruimtes voerde.