Archief 745
Inventaris 745-295
Pagina 349
Dossier 109
Jaar 1939
Stadsarchief

Brief (ambtelijke correspondentie)

11 april 1939 Van: Onbekend (mogelijk een ambtelijke afdeling, gezien de initialen vP/HG), met handgeschreven paraaf/naam "M. Müller".

Origineel

Brief (ambtelijke correspondentie) 11 april 1939 Onbekend (mogelijk een ambtelijke afdeling, gezien de initialen vP/HG), met handgeschreven paraaf/naam "M. Müller". [Handgeschreven, rechtsboven:]
M. Müller

[Getypt, linksboven:]
vP/HG.

65/3/8 M.

[Handgeschreven, middenboven:]
Verzonden 11/4

[Getypt, rechts:]
11 April 1939.

[Getypt, links:]
Rechtsmaatregelen tegen
F. van den Berg.

[Getypt, rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Ten vervolge op mijn rapport d.d. 4 Maart jl. (No. 65/3/5 M.) heb ik de eer U in bijlage dezes een afschrift te doen toekomen van een op 6 April jl. door den waarnemenden Gemeente-Advocaat, den heer Mr.D.K.G.de Jong, aan mij gerichten brief. Met betrekking tot dien brief merk ik op, dat Van den Berg uiteraard niet het recht heeft gehad, om het door hem met ingang van 1 November 1938 voor een jaar gehuurde pakhuis reeds met ingang van 1 December wederom te verlaten. Intusschen is het een feit, dat de door Van den Berg gehuurde pakhuisafdeeling met ingang van 1 Januari jl. opnieuw is verhuurd, namelijk aan den grossier Bruinsma, in wiens huurcontract echter een bepaling is opgenomen, dat het onderwijld zal eindigen, indien Van den Berg alsnog zou willen terugkomen.

Wanneer derhalve uiteindelijk bij rechterlijk vonnis, overeenkomstig een dezerzijds ingestelde vordering, de huurovereenkomst met Van den Berg zou worden ontbonden, zou de schadevergoeding, die aan de Gemeente zou worden toegewezen, zich waarschijnlijk beperken tot de gederfde huur over de maand December 1938, aangezien sedert Januari wederom huur is ontvangen. Op dien grond – en mede ter vermijding van een langdurig proces – lijkt mij het voorstel van Van den Berg om alsnog de huur over de maand December te betalen, niet onaannemelijk. Ook de heer Gemeente-Advocaat met wien ik deze aangelegenheid besprak is de bovenstaande meening toegedaan.

Bij een onderhoud, dat ik nog onlangs met Van den

[Einde pagina / Tekst loopt door] Deze brief betreft een juridisch-zakelijk advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een geschil met een huurder, F. van den Berg.

Kernpunten:
1. Contractbreuk: Van den Berg huurde per 1 november 1938 een pakhuis voor een jaar, maar verliet dit al na één maand (1 december).
2. Mitigatie van schade: De gemeente heeft het pakhuis per 1 januari 1939 alweer verhuurd aan een andere partij (grossier Bruinsma).
3. Juridische afweging: De schrijver adviseert, in overleg met de Gemeente-Advocaat, om niet te procederen voor de volledige contractduur. Omdat er al een nieuwe huurder is, zou een rechter waarschijnlijk alleen de huur over de leegstaande maand (december) als schadevergoeding toewijzen.
4. Schikkingsvoorstel: Van den Berg heeft zelf voorgesteld om de huur over december alsnog te betalen. De schrijver adviseert dit voorstel te aanvaarden om een "langdurig proces" te voorkomen. Het document dateert van april 1939, een periode waarin de Nederlandse overheid (en gemeentes) zich voorbereidde op mogelijke oorlogsdreiging. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale functie in het kader van de voedselvoorziening en distributie. Pakhuizen waren in deze periode van groot strategisch belang voor de opslag van voorraden.

De zakelijke, juridische toon toont aan dat de overheid ook in crisistijd strak de hand hield aan contractuele verplichtingen, maar tegelijkertijd pragmatisch handelde om onnodige juridische kosten te vermijden. De betrokkenheid van een "Gemeente-Advocaat" duidt erop dat dit waarschijnlijk een grotere gemeente betreft (zoals Amsterdam of Rotterdam), waar dergelijke specialistische juridische functies bestonden.

Samenvatting

Deze brief betreft een juridisch-zakelijk advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een geschil met een huurder, F. van den Berg.

Kernpunten:
1. Contractbreuk: Van den Berg huurde per 1 november 1938 een pakhuis voor een jaar, maar verliet dit al na één maand (1 december).
2. Mitigatie van schade: De gemeente heeft het pakhuis per 1 januari 1939 alweer verhuurd aan een andere partij (grossier Bruinsma).
3. Juridische afweging: De schrijver adviseert, in overleg met de Gemeente-Advocaat, om niet te procederen voor de volledige contractduur. Omdat er al een nieuwe huurder is, zou een rechter waarschijnlijk alleen de huur over de leegstaande maand (december) als schadevergoeding toewijzen.
4. Schikkingsvoorstel: Van den Berg heeft zelf voorgesteld om de huur over december alsnog te betalen. De schrijver adviseert dit voorstel te aanvaarden om een "langdurig proces" te voorkomen.

Historische Context

Het document dateert van april 1939, een periode waarin de Nederlandse overheid (en gemeentes) zich voorbereidde op mogelijke oorlogsdreiging. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale functie in het kader van de voedselvoorziening en distributie. Pakhuizen waren in deze periode van groot strategisch belang voor de opslag van voorraden.

De zakelijke, juridische toon toont aan dat de overheid ook in crisistijd strak de hand hield aan contractuele verplichtingen, maar tegelijkertijd pragmatisch handelde om onnodige juridische kosten te vermijden. De betrokkenheid van een "Gemeente-Advocaat" duidt erop dat dit waarschijnlijk een grotere gemeente betreft (zoals Amsterdam of Rotterdam), waar dergelijke specialistische juridische functies bestonden.

Gerelateerde Documenten 6