Getypte ambtelijke brief/doorslag met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/doorslag met handgeschreven kanttekeningen. 6 oktober 1939. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Marktwezen). [Links boven, handgeschreven in rood:]
Zie Mem
186.
[Paraaf]
[Midden boven, getypt:]
VP/HG.
[Midden boven, handgeschreven:]
Aanget.
[Grote krullerige paraaf]
[Rechts boven, handgeschreven in zwarte inkt:]
Mr. Müller [onderstreept]
[Links, getypt:]
66/29/1 M.
[Rechts, getypt:]
6 October 1939.
[Onderwerp, getypt:]
Kwijtschelding marktgeld ten
name van S. Pront.
[Adresblok, getypt:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Inhoud brief:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat S. Pront, Rijnstraat 62, die een plaats in de hal op de Centrale Markt voor het kalenderjaar 1939 heeft bezet, van het terzake verschuldigde marktgeld ad ƒ 500,- acht maandelijksche termijnen ad ƒ 41,67 heeft betaald. Pront is thans gemobiliseerd en daarom sedert 1 September jl. in gebreke gebleven om verdere afbetaling van het door hem verschuldigde marktgeld te voldoen; van de vorenbedoelde marktplaats wordt geen gebruik meer gemaakt. Het lijk mij billijk, dat Pront van zijn verplichting tot betaling van marktgeld wordt ontheven, met dien verstande, dat hem over de eerste acht maanden van dit jaar, waarin hij van de plaats op de Centrale Markt gebruik maakte, het tarief per kalendermaand (ƒ 50,-) in rekening wordt gebracht. In plaats van ƒ 500,- kan Pront dan volstaan om in 1939 een bedrag van 8 maal ƒ 50,- = ƒ 400,- te betalen.
Ik moge U beleefd verzoeken wel te willen bevorderen, dat aan Pront voornoemd bij Besluit van Burgemeester en Wethouders, op gronden van billijkheid, ingevolge artikel 10 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats - en ventgelden, kwijtschelding van op de Centrale Markt verschuldigd marktgeld wordt verleend tot een bedrag van ƒ 100,-.
[Rechts onder:]
De Directeur,
[Links onder, handgeschreven paraaf:]
mm
[Paraaf] De brief is een formeel verzoek van een gemeentelijk directeur aan de wethouder om een marktkoopman, de heer S. Pront, financieel te ontlasten. Pront had een standplaats op de Centrale Markt in Amsterdam voor een jaarbedrag van ƒ 500,-.
De kern van de zaak is de mobilisatie van het Nederlandse leger in september 1939. Omdat Pront is opgeroepen voor militaire dienst, kan hij zijn bedrijf op de markt niet voortzetten. Hij heeft voor de eerste acht maanden van het jaar reeds betaald via termijnen, maar kan de rest van het jaar niet voldoen. De directeur stelt voor om het jaarbedrag te verlagen naar het werkelijke gebruik (8 maanden x ƒ 50,- = ƒ 400,-), waardoor er een kwijtschelding van ƒ 100,- ontstaat. Dit wordt juridisch onderbouwd met een beroep op de "billijkheid" (redelijkheid) binnen de bestaande verordeningen. Dit document is gedateerd op 6 oktober 1939, slechts vijf weken na de Duitse inval in Polen en de daaropvolgende mobilisatie van het Nederlandse leger. Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, had de mobilisatie een enorme impact op de economie en het dagelijks leven; duizenden vaders en ondernemers moesten hun broodwinning achterlaten om de grenzen te bewaken.
De Centrale Markt in Amsterdam (het huidige Food Center aan de Jan van Galenstraat) was de spil van de voedselvoorziening in de stad. Het adres van de heer Pront, Rijnstraat 62, bevindt zich in de Rivierenbuurt, een wijk die in 1939 een grote Joodse populatie kende. Dit document illustreert hoe de lokale overheid in de vroege dagen van de oorlogsdreiging probeerde om te gaan met de praktische en financiële gevolgen van de mobilisatie voor kleine zelfstandigen. De naam "Mr. Müller" op het document verwijst zeer waarschijnlijk naar de toenmalige secretaris of een hoge ambtenaar ter secretarie.