Archief 745
Inventaris 745-297
Pagina 242
Dossier 17
Jaar 1939
Stadsarchief

Dienstbrief (ambtelijke correspondentie).

7 januari 1939.

Origineel

Dienstbrief (ambtelijke correspondentie). 7 januari 1939. [Gedrukt briefhoofd]
RIJKSDIENST TER UITVOERING VAN DE
ZUIDERZEESTEUNWET 1925 (Stb. 290)
St/Lu.

AMSTERDAM, 7 JAN. 1939
ROKIN 149, TEL. 32783, INTERC. R 0415

Bericht op brief van : ---
№ 72/3/M. 1939 [gestempeld]

Betreft : Inlichtingen.

Den Heer DIRECTEUR van het
Marktwezen,
te
AMSTERDAM.

Verzoeke bij beantwoording
aan te halen :
Dossier :
No. : 23
Bijlagen: ---

[Inhoud brief]
Voor de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet is het van belang bekend te zijn met de ontwikkeling van het aantal vischventers en/of standplaatshouders.

In verband daarmede verzoek ik U mij mede te deelen hoeveel vischventers en/of standplaatshouders er in Amsterdam waren in elk der jaren 1935 tot en met 1938.

Naar mijn voorloopigen indruk is het aantal dezer personen afnemende.

Voor de door U te verstrekken inlichtingen zeg ik U bij voorbaat gaarne dank.

DE DIRECTEUR VAN DEN RIJKSDIENST TER UITVOERING VAN DE ZUIDERZEESTEUNWET,
[Handtekening: J. Burger(?)]

[Handgeschreven aantekeningen onderaan]
Per
1/1 1935 4 Standpl h. met versche visch
1/1 '36 19 "
1/1 '37 29 "
1/1 '38 28 "

[Handgeschreven paraaf/tekening] 2-5-'39 Dit document is een formele informatieaanvraag van een rijksdienst aan een gemeentelijke instantie (het Marktwezen van Amsterdam). De kern van de vraag is statistisch van aard: de Rijksdienst wil weten hoeveel visventers en standplaatshouders er in de periode 1935-1938 in Amsterdam actief waren.

Opvallend is de handgeschreven toevoeging onderaan, die waarschijnlijk de beantwoording van de vraag bevat. Uit deze cijfers blijkt dat de aanname van de directeur (dat het aantal afnemende zou zijn) onjuist was voor de stad Amsterdam:
* In 1935 waren er slechts 4 standplaatshouders met verse vis.
* Dit aantal steeg fors naar 19 in 1936 en piekte op 29 in 1937, om in 1938 nagenoeg gelijk te blijven (28).

De discrepantie tussen de verwachting van de Rijksdienst en de feitelijke cijfers suggereert dat de economische verschuivingen als gevolg van de Zuiderzeewerken in Amsterdam een andere dynamiek kenden dan landelijk werd aangenomen. De Zuiderzeesteunwet van 1925 was in het leven geroepen om de sociaaleconomische gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee (door de bouw van de Afsluitdijk, voltooid in 1932) op te vangen. De wet bood financiële ondersteuning of omscholing aan vissers en aanverwante beroepen wier broodwinning in gevaar kwam door de overgang van zout naar zoet water.

De Rijksdienst die deze wet uitvoerde, had accurate gegevens nodig over de vishandel om te bepalen wie recht had op steun of om de effectiviteit van de maatregelen te monitoren. Amsterdam, als belangrijke afzetmarkt voor Zuiderzeevis, speelde een cruciale rol in dit onderzoek. De stijging van het aantal visventers in Amsterdam tussen 1935 en 1938 zou verklaard kunnen worden door vissers uit de Zuiderzeedorpen die, bij gebrek aan vangstmogelijkheden, hun heil zochten in de ambulante handel in de hoofdstad.

Samenvatting

Dit document is een formele informatieaanvraag van een rijksdienst aan een gemeentelijke instantie (het Marktwezen van Amsterdam). De kern van de vraag is statistisch van aard: de Rijksdienst wil weten hoeveel visventers en standplaatshouders er in de periode 1935-1938 in Amsterdam actief waren.

Opvallend is de handgeschreven toevoeging onderaan, die waarschijnlijk de beantwoording van de vraag bevat. Uit deze cijfers blijkt dat de aanname van de directeur (dat het aantal afnemende zou zijn) onjuist was voor de stad Amsterdam:
* In 1935 waren er slechts 4 standplaatshouders met verse vis.
* Dit aantal steeg fors naar 19 in 1936 en piekte op 29 in 1937, om in 1938 nagenoeg gelijk te blijven (28).

De discrepantie tussen de verwachting van de Rijksdienst en de feitelijke cijfers suggereert dat de economische verschuivingen als gevolg van de Zuiderzeewerken in Amsterdam een andere dynamiek kenden dan landelijk werd aangenomen.

Historische Context

De Zuiderzeesteunwet van 1925 was in het leven geroepen om de sociaaleconomische gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee (door de bouw van de Afsluitdijk, voltooid in 1932) op te vangen. De wet bood financiële ondersteuning of omscholing aan vissers en aanverwante beroepen wier broodwinning in gevaar kwam door de overgang van zout naar zoet water.

De Rijksdienst die deze wet uitvoerde, had accurate gegevens nodig over de vishandel om te bepalen wie recht had op steun of om de effectiviteit van de maatregelen te monitoren. Amsterdam, als belangrijke afzetmarkt voor Zuiderzeevis, speelde een cruciale rol in dit onderzoek. De stijging van het aantal visventers in Amsterdam tussen 1935 en 1938 zou verklaard kunnen worden door vissers uit de Zuiderzeedorpen die, bij gebrek aan vangstmogelijkheden, hun heil zochten in de ambulante handel in de hoofdstad.

Locaties

Amsterdam (Rokin 149).

Kooplieden in dit dossier 64

Gerelateerde Documenten 6