Handgeschreven ambtelijk rapport/briefadvies.
Origineel
Handgeschreven ambtelijk rapport/briefadvies. 14 mei 1942. (Pagina 1)
Pluimveehandel
92/1/2 M
A’dam, 14/5 1942
W. R. M.
[Gecirkeld: voor typen naar Hr. Siteburgh]
Onder terugzending van de met Uw kaartbrief dd. 10 Maart jl. om advies ontvangen stukken No 233 L.M. 1942 heb ik de eer U het volgende te berichten.
[In de linkerkantlijn:]
Ingesteld onderzoek het volgende is gebleken.
De handel in pluimvee is georganiseerd in den Nederlandschen Bond van Poeliers- en Wildhandelaren, Gierstraat 39 te Haarlem; Voorzitter van dezen Bond is de heer D. Klasblom, 2e v. Swindenstraat 56, alhier.
De reorganisatie van den Pluimveehandel en de verschillende vraagstukken, die ermee verband houden, als bijv. de keuring, centrale slachting, den aanvoer van geslacht en levend gevogelte, e.d. werden door verschillende instanties reeds in de jaren 1936 t/m 1939 zeer uitvoerig bestudeerd, zonder dat men nogthans tot eenig resultaat kwam.
In Augustus 1940 vond een vrijwel totale afslachting van den pluimveestapel plaats, terwijl in Januari van dit jaar de laatste resten werden geslacht; men kan thans dan ook niet meer van het bestaan van een pluimveebestand spreken.
De onderhavige materie is momenteel geheel in handen van de Pluimveecentrale te De Bilt, welke Centrale nu en dan toewijzingen geeft van geslachte kippen, welke in koelhuizen waren opgeslagen; volgens mededeeling van de Centrale is ook deze voorraad vrijwel uitgeput.
De bovengenoemde Voorzitter van den Nederlandschen Bond acht het, gelet op de omstandigheden, voorloopig niet gewenscht om op het onderhavige terrein organiseerend op te treden, te meer omdat het toch na den oorlog [tekst loopt onderaan door/loopt af] Het document is een ambtelijk schrijven waarin verslag wordt gedaan van de status van de Nederlandse pluimveehandel in het derde jaar van de Duitse bezetting. De toon is zakelijk en feitelijk.
Opvallend is de melding van de "vrijwel totale afslachting" van de pluimveestapel in augustus 1940 en januari 1942. Dit wijst op de schaarste en de rigoureuze ingrepen in de landbouwsector tijdens de oorlog. De schrijver concludeert dat er feitelijk geen sprake meer is van een "pluimveebestand", waardoor verdere pogingen tot reorganisatie van de handel op dat moment zinloos worden geacht. De resterende distributie wordt beheerd door de "Pluimveecentrale te De Bilt", een instelling die paste binnen de door de bezetter gecontroleerde distributie-economie. In 1942 was de voedselvoorziening in Nederland onder strikte controle van de bezetter. Door het gebrek aan veevoer (dat voorheen werd geïmporteerd) werd de veestapel, en met name de pluimveestapel, gedecimeerd. Kippen werden op grote schaal geslacht omdat ze concurreerden met de mens om graanconsumptie.
De "Nederlandsche Bond van Poeliers- en Wildhandelaren" en de "Pluimveecentrale" fungeerden in dit systeem als schakels in de distributieketen, waarbij schaarse voorraden uit koelhuizen mondjesmaat werden vrijgegeven. De brief illustreert de bureaucratische afhandeling van een sector die op dat moment feitelijk was opgehouden te bestaan in zijn oorspronkelijke, vrije vorm. D. Klasblom