Gedrukt officieel overheidsbesluit (staatsblad-stijl).
Origineel
Gedrukt officieel overheidsbesluit (staatsblad-stijl). [Pagina 4]
Volgn. 448 [breed witveld] 4
ART. 9
Indien een feit, strafbaar gesteld in art. 8, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen hem, die tot het feit opdracht gaf of die de feitelijke leiding had bij het verboden handelen of het nalaten.
ART. 10
Met het opsporen van de bij dit besluit strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, bedoeld in art. 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie, alsmede zij, die door den Secretaris-Generaal of door de raden van de gemeenten in de verordeningen, bedoeld in art. 3, lid 1, daartoe zijn aangewezen.
ART. 11
- De ambtenaren, bedoeld in art. 10, zijn te allen tijde bevoegd om in beslag te nemen, zoomede ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voorwerpen, welke tot ontdekking der waarheid kunnen dienen of welker verbeurdverklaring, vernietiging of onbruikbaarmaking kan worden bevolen.
- Zij hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, daaronder begrepen lokalen, erven en woningen, waar zich naar redelijk vermoeden voorwerpen kunnen bevinden, leidende tot opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in dit besluit. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met behulp van den sterken arm.
- In woningen treden zij tegen den wil van den bewoner slechts binnen, vergezeld van een commissaris van politie of den burgemeester van de gemeente of voorzien van een bijzonderen schriftelijken last in den zin van art. 121 van het Wetboek van Strafvordering van een commissaris van politie en in gemeenten, waar geen commissaris is, van den burgemeester.
- Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd zich van bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen. In dat geval wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
ART. 12
Door of vanwege den Secretaris-Generaal kan in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen of groepen van gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de bepalingen van de artt. 2, 3 en 5 tot en met 7 van dit besluit. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden verbonden worden.
[Pagina 5]
5 [breed witveld] Volgn. 448
ART. 13
Dit besluit treedt in werking één maand na den dag van zijn afkondiging, met uitzondering van de artt. 3 en 4, welke in werking treden met ingang van den dag na dien van de afkondiging. Het kan worden aangehaald als „Afvallenbesluit 1940 II (dierlijke afvallen)”.
's-Gravenhage, 22 October 1940.
De Secretaris-Generaal van het Departement
van Landbouw en Visscherij:
H. M. HIRSCHFELD.
De Secretaris-Generaal van het Departement
van Binnenlandsche Zaken:
FREDERIKS.
- Tot het geven van aanwijzingen, als bedoeld in de artt. 5, lid 1, en 6, lid 1, van het Afvallenbesluit 1940 II, alsmede tot het verleenen van ontheffingen, als bedoeld in art. 12 van het evengenoemde besluit, en tot het verbinden van voorwaarden aan die ontheffingen wordt gemachtigd:
de Directeur-Generaal van de Voedselvoorziening, gehoord den directeurgeneraal, hoofd der afdeeling Volksgezondheid van het Departement van Sociale Zaken, den directeur van den Veeartsenijkundigen Dienst en den directeur van de sectie Beenderen van het Rijks bureau voor Chemische Producten.
II. Als ambtenaren, als bedoeld in art. 10 van het hierbovengenoemde besluit, worden aangewezen:
de controleurs Landbouw-Crisiswet 1933, als bedoeld in de beschikking van 19 Augustus 1933, No. 10329, afd. II, Directie van den Landbouw, zooals deze laatstelijk is gewijzigd.
's-Gravenhage, 22 October 1940.
De Secretaris-Generaal voornoemd,
H. M. HIRSCHFELD.
Zie volgn. 432.
AMSTERDAM, 24 October 1940. Dit document bevat de slotartikelen (9 t/m 13) van het "Afvallenbesluit 1940 II (dierlijke afvallen)", aangevuld met specifieke uitvoeringsbesluiten.
- Handhaving en Opsporing: Artikelen 9 t/m 11 regelen de juridische vervolging (inclusief aansprakelijkheid van rechtspersonen) en verlenen vergaande bevoegdheden aan de opsporingsambtenaren. Deze mogen zonder toestemming terreinen en (onder voorwaarden) woningen betreden en goederen in beslag nemen.
- Ontheffingen: Artikel 12 en de daaropvolgende toelichting delegeren de macht om ontheffingen te verlenen aan de Directeur-Generaal van de Voedselvoorziening, in overleg met diverse veterinaire en chemische instanties. Dit wijst op het belang van dierlijk afval voor de (oorlogs)chemische industrie (bijv. beenderen).
- Inwerkingtreding: Artikel 13 regelt de datering en de officiële citeertitel.
- Bestuur: De ondertekening door de Secretarissen-Generaal Hirschfeld en Frederiks is kenmerkend voor de bestuurlijke structuur van die tijd. Dit besluit dateert van oktober 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Omdat de Nederlandse regering naar Londen was uitgeweken, lag de dagelijkse leiding van de departementen bij de hoogste ambtenaren, de Secretarissen-Generaal, die onder toezicht van de bezetter opereerden.
Het "Afvallenbesluit 1940 II" maakt deel uit van een bredere reeks maatregelen om de distributie, hygiëne en industriële verwerking van schaarse middelen en grondstoffen (zoals dierlijke bijproducten) tijdens de oorlogseconomie strak te reguleren. De verwijzing naar het "Rijksbureau voor Chemische Producten" en de "sectie Beenderen" illustreert hoe dierlijk afval werd gezien als een strategische grondstof voor industriële toepassingen. De vergaande bevoegdheden van opsporingsambtenaren in artikel 11 passen in het repressieve klimaat van de bezettingstijd om controle op de voedselketen en grondstoffen te garanderen. M. Hirschfeld Politie Rijksbureau