Getypte ambtelijke brief.
Origineel
Getypte ambtelijke brief. 20 november 1940. VP/HG (waarschijnlijk een afdeling van de Gemeente Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam ("Alhier"). Lu. de Goer
VP/HG.
Verzonden 20/11
2B/31/3 M.
1
20 November 1940.
Aanvraag ventvergunning ten
name van S. Brasem.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Met Uw kantbrief d.d. 4 September jl. zond U mij ter verdere behandeling (onder No.835 L.M.1940) een verzoek van S. Brasem, Blasiusstraat 99 I, hetwelk betrekking scheen te hebben op een aanvrage om een erkenning als kleinhandelaar in gewassen van den tuinbouw, welke erkenning door de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale wordt verleend. Bij de behandeling van dit verzoek, dat inmiddels door de voornoemde Centrale is ingewilligd, bleek, dat adressant beoogt om eveneens te verzoeken om een ventvergunning voor aardappelen, groenten en fruit. Naar aanleiding van dit laatste verzoek werd dezerzijds een onderzoek ingesteld, waarbij is gebleken, dat adressant gedurende ± 28 jaar werkzaam is geweest als bootwerker. Tusschens tijds was hij soms wel werkzaam in den handel, terwijl hij in 1932 gedurende ± 8 maanden een zaak in groenten en fruit had. Omstreeks September 1933 heeft hij niet van het venten hier ter stede zijn beroep gemaakt, terwijl hij ook zijn aanvrage niet tijdig, dat wil zeggen vóór 1 Januari 1935 heeft gedaan.
Onder terugzending van het in den aanhef genoemde stuk heb ik de eer U beleefd in overweging te geven het verzoek van adressant om een ventvergunning van de hand te wijzen.
De Directeur, In deze brief adviseert de directeur van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst (waarschijnlijk de Marktwezen of een economische afdeling) de Wethouder voor de Levensmiddelen om een vergunningsaanvraag af te wijzen.
De aanvrager, S. Brasem, woonachtig in de Blasiusstraat 99-I te Amsterdam, had aanvankelijk een erkenning als kleinhandelaar gekregen van de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale. Hij wilde echter ook een ventvergunning (om op straat te mogen verkopen). De redenen voor het negatieve advies zijn strikt bureaucratisch:
1. Gebrek aan ervaring: De man was hoofdzakelijk bootwerker (havenarbeider) en had slechts kortstondig in de groentehandel gewerkt.
2. Wetgeving: Hij voldeed niet aan de eisen van de toenmalige vestigingsregels. Hij was in september 1933 niet officieel werkzaam als venter in Amsterdam en hij had zijn aanvraag niet vóór de deadline van 1 januari 1935 ingediend. Dit document dateert van november 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Blasiusstraat lag in een buurt met veel Joodse inwoners. Samuel Brasem (geboren in 1888) was een Joodse Amsterdammer. Hoewel de afwijzing in de brief gebaseerd lijkt op de vooroorlogse Vestigingswet Kleinbedrijf (die bedoeld was om het aantal handelaren te beperken en professionaliteit te waarborgen), kreeg dit soort bureaucratische besluitvorming tijdens de bezetting een extra lading. Voor Joodse burgers werd het door dit soort regels en de daaropvolgende anti-Joodse maatregelen steeds moeilijker om in hun levensonderhoud te voorzien. Samuel Brasem is later tijdens de Holocaust gedeporteerd en vermoord in Sobibor (1943).