Archiefdocument
Origineel
16 oktober 1939 A’dam, 16 Oct. 1939.
Den Heer dir. v.d. Ned. Gr. en Fr.
Centrale.
[In rood linksboven:] 2B/150/1 [M]
[Daarnaast in potlood:] 16/10/39 MS [?]
Hiermede verzoek ik U beleefd mij te
willen berichten, of toelaatbaar
is dat personen, die als kleinhan-
delaar ^(in producten van den tuinbouw)^ door Uw Centrale zijn
erkend, ~~zonder meer~~ een "machtiging"
afgeven om voor hen te handelen.
Zoo ja, is deze machtiging dan aan
bepaalde vormen gebonden en
moet zij ~~in elk geval~~ te
Uwenzijde worden ~~erkend~~
goedgekeurd? Mag degene, die de
machtiging afgeeft, bovendien zelfstandig
blijven handelen?
[Onderaan:] 16/10 39 x [onleesbaar teken/paraaf] Het document is een zakelijke correspondentie waarin juridisch/administratief advies of uitsluitsel wordt gevraagd. De schrijver hanteert een formele stijl ("U beleefd mij te willen berichten"). De centrale vraag is of erkende kleinhandelaren in de tuinbouwsector derden kunnen machtigen om namens hen transacties te verrichten.
De tekst is kritisch geredigeerd:
* De toevoeging "(in producten van den tuinbouw)" specificeert de sector.
* De doorhaling van "zonder meer" suggereert dat men beseft dat er voorwaarden aan verbonden zijn.
* De wijziging van "erkend" naar "goedgekeurd" aan de kant van de Centrale duidt op een behoefte aan actieve instemming door de autoriteit in plaats van passieve erkenning.
* De slotvraag betreft de resterende handelingsbevoegdheid van de volmachtgever, een cruciaal punt voor de marktordening. De brief is geschreven op 16 oktober 1939, anderhalve maand na de Duitse inval in Polen en het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, heerste er door de mobilisatie en de internationale spanning een regime van toenemende overheidsbemoeienis en marktordening.
De Nederlandsche Groenten- en Fruittencentrale (vaak afgekort als de 'Centrale') was een belangrijk orgaan in de regulering van de handel en distributie van landbouwproducten. In deze periode werden de regels voor handelaren aangescherpt om prijsopdrijving, speculatie en ongecontroleerde handel te voorkomen. De vragen in deze brief over machtigingen passen in de context van een sector die probeert te navigeren binnen een steeds complexer wordend web van regels en vergunningen vlak voor het uitbreken van de oorlog in Nederland.
Samenvatting
Het document is een zakelijke correspondentie waarin juridisch/administratief advies of uitsluitsel wordt gevraagd. De schrijver hanteert een formele stijl ("U beleefd mij te willen berichten"). De centrale vraag is of erkende kleinhandelaren in de tuinbouwsector derden kunnen machtigen om namens hen transacties te verrichten.
De tekst is kritisch geredigeerd:
* De toevoeging "(in producten van den tuinbouw)" specificeert de sector.
* De doorhaling van "zonder meer" suggereert dat men beseft dat er voorwaarden aan verbonden zijn.
* De wijziging van "erkend" naar "goedgekeurd" aan de kant van de Centrale duidt op een behoefte aan actieve instemming door de autoriteit in plaats van passieve erkenning.
* De slotvraag betreft de resterende handelingsbevoegdheid van de volmachtgever, een cruciaal punt voor de marktordening.
Historische Context
De brief is geschreven op 16 oktober 1939, anderhalve maand na de Duitse inval in Polen en het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, heerste er door de mobilisatie en de internationale spanning een regime van toenemende overheidsbemoeienis en marktordening.
De Nederlandsche Groenten- en Fruittencentrale (vaak afgekort als de 'Centrale') was een belangrijk orgaan in de regulering van de handel en distributie van landbouwproducten. In deze periode werden de regels voor handelaren aangescherpt om prijsopdrijving, speculatie en ongecontroleerde handel te voorkomen. De vragen in deze brief over machtigingen passen in de context van een sector die probeert te navigeren binnen een steeds complexer wordend web van regels en vergunningen vlak voor het uitbreken van de oorlog in Nederland.