Brief (doorslag of kopie).
Origineel
Brief (doorslag of kopie). 12 september 1940. Een onbekende "Directeur" van een overheidsdienst (gezien de verwijzing naar "mijn dienst" en de aard van de correspondentie). [Rechtsboven handgeschreven:] Lu. Slenbeck [?]
[Rechtsboven getypt:] VP/HG.
[Middenboven handgeschreven:] Verzonden 13/9
[Adresgegevens:]
de Directie van de Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale,
Laan Copes van Cattenburch 62,
's-Gravenhage.
[Referentie:]
2B/115/2 M.
[Datum:]
12 September 1940.
[Inhoud:]
In bijlage dezes heb ik de eer U een aanvrage om erkenning als kleinhandelaar in gewassen van den tuinbouw te doen toekomen ten name van P.J. Scheen, geboren 24 December 1912. Ik voeg daarbij afschrift van een op 10 dezer door den contrôleur Felthuis van mijn dienst opgemaakt rapport, waaruit blijkt, dat Scheen voornoemd hoofdzakelijk als bloemenhandelaar moet worden aangemerkt. Naar mijn meening komt hij niet voor een erkenning vanwege Uw Centrale in aanmerking en ook niet voor een tijdelijke erkenning, aangezien hij geen vischkoopman is en tijdelijke erkenningen alleen aan vischkooplieden worden verstrekt.
De Directeur, Het document is een ambtelijk advies betreffende een aanvraag voor een handelsvergunning (erkenning). De kern van de zaak is de classificatie van de aanvrager, P.J. Scheen. Hoewel hij erkenning vraagt als kleinhandelaar in tuinbouwgewassen (waarschijnlijk groente en fruit), stelt een rapport van een controleur vast dat hij in de praktijk hoofdzakelijk een bloemenhandelaar is.
Opvallend is de strikte weigering onderaan: de aanvrager krijgt geen reguliere erkenning, maar ook geen tijdelijke. De reden voor het weigeren van de tijdelijke erkenning is specifiek: deze was blijkbaar voorbehouden aan visboeren ("vischkooplieden"). Dit wijst op een zeer rigide sectorale scheiding in de regelgeving van die tijd. In de tekst is het woord "niet" onderstreept om de negatieve beslissing te benadrukken. Deze brief dateert van september 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werd de Nederlandse economie steeds strakker georganiseerd in zogenaamde "bedrijfschappen" en "centrales" onder toezicht van de bezetter en de Nederlandse departementen. De Nederlandsche Groente- en Fruitcentrale (NGFC) speelde een cruciale rol in de distributie en prijsbeheersing van voedsel.
Om producten te mogen inkopen en verkopen, hadden handelaren een officiële 'erkenning' nodig. Zonder deze erkenning was handel illegaal (zwarte handel). De strikte scheiding tussen beroepsgroepen (zoals het detail over de visboeren) was typerend voor de bureaucratische ordening van de voedselvoorziening tijdens de oorlog, waarbij men probeerde de markt volledig te controleren en te kanaliseren. Het feit dat visboeren wel tijdelijke erkenningen kregen voor tuinbouwproducten, duidt mogelijk op een beleid om de handel in schaarse goederen te spreiden over bestaande distributiekanalen, maar bloemenhandelaren vielen buiten deze specifieke regeling. P.J. Scheen