Getypte ambtelijke brief.
Origineel
Getypte ambtelijke brief. 23 november 1940. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, gezien de term "alhier" bij een Amsterdams adres). De Directie van de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale, 's-Gravenhage. Extra
VP/HG.
de Directie van de Nederlandsche
Groenten- en Fruitcentrale,
Laan Copes van Cattenburch 62,
' s - G r a v e n h a g e .
2B/159/2 M. 2 23 November 1940.
In bijlage dezes heb ik de eer U een aanvraagformulier
voor erkenning als kleinhandelaar in gewassen van den tuinbouw ten
name van J.Daglooner, Nieuwe Uilenburgerstraat 119 alhier, te doen
toekomen; benevens een met betrekking tot die aanvraag door den
contrôleur Felthuis van mijn dienst opgemaakt rapport d.d. 21
November jl. Uit dat rapport blijkt, dat de bewering van Daglooner,
dat hy van 1925 tot 1938 onafgebroken in den handel in tuinbouw-
gewassen is werkzaam geweest, niet aannemelyk kan worden geacht.
Ik geef U mitsdien beleefd in overweging zyn verzoek om een erken-
ning van de hand te wyzen; ook voor een tydelyke erkenning komt hy
myns inziens niet in aanmerking.
De Directeur, Deze brief is een formeel advies aan de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (NGFC) om een aanvraag voor een handelsvergunning af te wijzen. De aanvrager is J. Daglooner, gevestigd aan de Nieuwe Uilenburgerstraat in Amsterdam. De kern van de afwijzing ligt in het feit dat een controleur (Felthuis) de verklaring van de aanvrager over zijn werkervaring tussen 1925 en 1938 als "niet aannemelijk" beoordeelt.
De taal is afstandelijk en ambtelijk ("heb ik de eer U", "mitsdien beleefd in overweging"). De brief illustreert hoe nauwgezet de beroepsuitoefening in de voedselvoorziening werd gecontroleerd door middel van rapportages en erkenningen. Het document dateert van november 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale was een overheidsorgaan dat de distributie en handel in tuinbouwproducten reguleerde. Tijdens de bezetting werd dit apparaat steeds strakker aangestuurd om de voedselvoorziening te controleren en te rantsoeneren.
Een belangrijk detail is het adres van de aanvrager: de Nieuwe Uilenburgerstraat lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. Hoewel de brief nergens expliciet rept over de afkomst van J. Daglooner, past de kritische toetsing van zijn "aannemelijkheid" in een breder patroon waarin Joodse ondernemers het steeds moeilijker kregen om hun nering voort te zetten. In deze periode (eind 1940) begonnen de eerste verordeningen van de bezetter die gericht waren op het registreren en uiteindelijk uitschakelen van Joodse invloed in het economische leven. Het afwijzen van erkenningen op basis van technische of administratieve gronden was een methode die hierbij regelmatig werd gehanteerd. J. Daglooner M. Bovenaan