Administratief memorandum / Intern advies betreffende ligplaatsgelden.
Origineel
Administratief memorandum / Intern advies betreffende ligplaatsgelden. 8 april 1940 (genoemd in tekst). 2. 21/17/2 M
J.A. Bunk, liggende met schip
Nieuwe Keizersgracht No. 92
heeft verklaring geteekend voor het
gedurende het kalenderjaar 1940 ligplaats
innemen met een schip genaamd
"Rijnoever" groot 150 Ton
Van het marktgeld groot f 150.- werd
één termijn à f 37.50 voldaan.
Bovengenoemde J.A. Bunk is overleden
en het schipje dat tevens als woning
diende, heeft op 8 April 1940 de lig-
plaats verlaten.
De notaris van de fam. Bunk, die omtrent
de financieele verplichtingen telefonisch inlichting
vroeg, deelde verder nog mede dat de
erfgenamen de nalatenschap niet hebben
aanvaard.
Aan B. en W. wordt voorgesteld aan
de Wed. Bunk kwijtschelding te verleenen
tot een bedrag groot f 101,25 (Art 10 V. v. M. G.)
volgens onderstaande berekening:
Tegen week- resp. maandtarief zou
moeten worden betaald 3 x 150 x 10 = f 45.-
1 x 150 x 2 1/2 = f 3.75 [totaal] 48.75
de kwijtschelding bedraagt dus f 150 - 48.75 = 101.25 Dit document is een ambtelijk advies aan het College van Burgemeester en Wethouders (B. en W.) van Amsterdam. Het behandelt de afwikkeling van een schuld aan de gemeente.
- Casus: De heer J.A. Bunk had voor het hele jaar 1940 een ligplaats gehuurd aan de Nieuwe Keizersgracht voor zijn schip "Rijnoever" (150 ton), dat tevens als woning fungeerde. De totale kosten bedroegen 150 gulden, waarvan slechts het eerste kwartaal (37,50 gulden) was betaald.
- Juridische complicatie: Na het overlijden van de heer Bunk hebben de erfgenamen de nalatenschap verworpen (niet aanvaard). Dit betekent dat zij niet aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de resterende schuld. Het schip heeft de ligplaats op 8 april verlaten.
- Oplossing: Er wordt voorgesteld om op basis van de "Verordening van de Marktgelden" (V.v.M.G.) een herberekening te maken over de feitelijke periode dat de ligplaats bezet was (januari t/m maart plus een deel van april). De resterende claim van 101,25 gulden wordt ter kwijtschelding voorgedragen aan de weduwe (of feitelijk ten laste van de onbeheerde boedel). Het document dateert van vlak voor de Duitse inval in Nederland (mei 1940). Het geeft een interessant inkijkje in de Amsterdamse binnenvaart en de regelgeving rondom "woonschepen". De Nieuwe Keizersgracht was destijds een plek waar veel van dergelijke schepen lagen.
De bedragen geven een beeld van de toenmalige waarde: 150 gulden was voor een schipper in 1940 een aanzienlijk bedrag (ter vergelijking: een gemiddeld arbeidersloon lag rond de 25-30 gulden per week). De nauwkeurige administratieve afhandeling, ondanks de overlijdenssituatie en de verwerping van de erfenis, typeert de Nederlandse bureaucratie uit die periode.