Zakelijke brief / Ambtelijke correspondentie.
Origineel
Zakelijke brief / Ambtelijke correspondentie. 21 juni 1940. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, gezien de verwijzing naar Burgemeester en Wethouders). N.V. Brandstoffenhandel v/h F. van Oosten, De Wittenstraat 176/182, Amsterdam-West. Extra
D/G.
21/27/2 M
21 Juni 1940.
N.V. Brandstoffenhandel
v/h F. van Oosten,
De Wittenstraat 176/182,
Amsterdam-West.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 10 Juni jl. bericht ik U, dat dezerzijds nauwkeurig aanteekening wordt gehouden van het gebruik, dat van de schuiten, waarvoor het jaartarief is betaald, tengevolge van den oorlogstoestand kon worden gemaakt. Dit vindt plaats, teneinde te zyner tyd aan Burgemeester en Wethouders voorstellen tot restitutie te doen, indien daartoe aanleiding mocht bestaan. Het bedrag dezer restitutie wordt namelyk bepaald naar den duur, waarvan van de vaartuigen een normaal gebruik kon worden gemaakt, terwijl het maand-, resp. weektarief gedurende dezen duur zal worden toegepast. Aangezien het jaartarief $f$ 1,- per ton per kalenderjaar bedraagt en de kalenderweek- en maandtarieven resp. $f$ 0,02½ en $f$ 0,10, volgt hieruit, dat voor een vaartuig, dat gedurende 10 kalendermaanden ligplaats aan de brandstoffenmarkt inneemt, evenveel belasting verschuldigd is als voor een vaartuig, dat gedurende het volle kalenderjaar aan deze markt ligt. Om voordeel van restitutie te genieten, moet van de vaartuigen dus ten minste twee volle kalendermaanden geen normaal gebruik zijn gemaakt. Te zyner tyd zal dus op deze aangelegenheid worden teruggekomen.
De Directeur, Deze brief is een reactie op een verzoek van een brandstoffenhandel om belastingteruggave (restitutie). De kern van de zaak is de verstoring van het normale gebruik van vrachtschuiten door de "oorlogstoestand".
De directeur legt de berekeningswijze voor mogelijke restitutie uit:
1. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen het reeds betaalde jaartarief ($f$ 1,- per ton) en de tarieven voor kortere periodes (maand $f$ 0,10; week $f$ 0,02½).
2. Omdat 10 maanden gebruik tegen het maandtarief gelijk staat aan het volledige jaartarief ($10 \times 0,10 = 1,00$), komt een schip pas in aanmerking voor teruggaaf als het minstens twee volledige kalendermaanden niet is gebruikt.
3. De beslissing over de daadwerkelijke restitutie ligt bij het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. De datum, 21 juni 1940, is zeer kort na de Nederlandse capitulatie (15 mei 1940). De brief illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam direct probeerde om te gaan met de economische ontwrichting veroorzaakt door het begin van de Duitse bezetting.
De "brandstoffenmarkt" en de locatie (De Wittenstraat in de Staatsliedenbuurt, nabij de Kostverlorenvaart) wijzen op de cruciale rol van de binnenvaart voor de energievoorziening van de stad. In deze periode was Amsterdam voor verwarming en industrie nog vrijwel volledig afhankelijk van kolen, die per schip werden aangevoerd. De "oorlogstoestand" zorgde voor blokkades, vorderingen van schepen en algemene onzekerheid in de logistieke keten, wat leidde tot dit soort administratieve afwikkelingen van havengelden of ligplaatsbelastingen. F. van Oosten N.V. Brandstoffenhandel