Brief (doorslag/kopie van een officieel schrijven).
Origineel
Brief (doorslag/kopie van een officieel schrijven). 31 januari 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (F. van Meurs), Gemeente Amsterdam. De Wethouder voor het Onderwijs, Gemeente Amsterdam. GEMEENTE AMSTERDAM [handgeschreven: Marktwezen]
Nº 25/15/2 [stempel: M. 1940 7/2]
AFD. L.M.
No. 884 -1939-
BIJLAGEN
AMSTERDAM, 31 Januari 1940.
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
[handgeschreven notitie midden boven: met dhr WE bespr dett]
In antwoord op Uw schrijven van 18 November j.l., Afd. O. No.3977, betreffende den hinder, dien het onderwijs in de Albert Cuypschool ondervindt van de in de gelijknamige straat gehouden dagmarkt, bericht ik U het volgende.
Het is inderdaad juist, dat in de middaguren schreeuwende venters op de markt een plaats innemen. Het komt mij echter niet gewenscht voor bedoeld gedeelte der markt in die straat op te heffen, daar dit niet alleen een financieel nadeel voor de Gemeente beteekent, maar vooral ook voor de kooplieden, die vaste plaatsen op dit gedeelte der markt bezetten en die zich niet schuldig maken aan schreeuwen. Ik ben echter van oordeel, dat streng tegen degenen, die den betreffenden hinder veroorzaken, moet worden opgetreden. Mitsdien heb ik den Directeur van het Marktwezen opgedragen aan de desbetreffende kooplieden mede te deelen, dat zij, indien zij niet nalaten hun waren luidkeels aan te prijzen, onverbiddelijk van die markt zullen worden verwijderd en aldaar voorgoed geen plaats meer zullen krijgen. Voorts zal ter waarschuwing nog een communiqué in de vakbladen worden geplaatst.
vM
[paraaf]
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
(get.) F. VAN MEURS
Aan den heer Wethouder voor het Onderwijs.
Model G.A. 6
25.000-1-'39
[handgeschreven rechtsonder: 25]
[Watermerk verticaal in papier: BORD] Dit document is een ambtelijke correspondentie tussen twee wethouders van de gemeente Amsterdam. De kern van de zaak is een belangenconflict tussen de openbare orde (rust voor het onderwijs) en economische belangen (de inkomsten van de markt en de gemeente).
De wethouder belast met de markten erkent de overlast ("schreeuwende venters"), maar weigert de markt te verplaatsen of op te heffen vanwege de financiële gevolgen. In plaats daarvan kiest hij voor een repressieve aanpak: marktkooplieden die schreeuwen om hun waren aan te prijzen, worden na een waarschuwing definitief van de markt verbannen. Deze "zero tolerance"-aanpak wordt kracht bijgezet door een publicatie in vakbladen, wat duidt op een officiële beleidswijziging of handhavingsactie. De brief dateert van januari 1940, slechts enkele maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het dagelijks leven en de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam functioneerden op dat moment nog op de gebruikelijke wijze.
De Albert Cuypmarkt was destijds, net als nu, een vitale maar luidruchtige ader in de Pijp. De Albert Cuypschool (tegenwoordig de Tweede Daltonschool) bevond zich midden in dit rumoer. Het document geeft een inkijkje in de stedelijke problematiek van die tijd: de spanning tussen de traditionele, luidruchtige manier van handel drijven en de modernere behoeften aan een rustige leeromgeving. De zeer specifieke portefeuille van wethouder F. van Meurs (o.a. 'Wasch- en schoonmaak-inrichtingen') is typerend voor de vergaande bemoeienis van de overheid met de volksgezondheid en hygiëne in de vroege 20e eeuw.