Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 12 februari 1940. Onbekend (handtekening ontbreekt op deze pagina, waarschijnlijk een marktkraamhouder). De Wel Edelgestrenge Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. Amsterdam 12 Febr: ’40
Aan de Wel Ed. Heer Directeur
van het Marktwezen
te
Amsterdam
Mijnheer,
Naar aanleiding van Uw schrijven ddt 10 dezer, zou ik onderstaand onder Uw aandacht brengen.
Ik verkeer in een zeer ongunstige omstandigheid, omrede ik een zeer klein inkomen heb (ongeveer zooveel als de steun) en daardoor niet in aanmerking kom voor steun. Ik heb de laatste 6 weken mijn plaats op de markt (Alb. Cuypstr.) niet kunnen innemen doordat hier niets te verdienen is en deze markt soms dagenlang in zeer onbegaanbare toestand was. Niettemin heb ik mijn goede wil getoond om desondanks tijdens deze 6 weken even goed 2 weken marktgeld ben gaan betalen. Dus Uw schrijven gaat over slechts 4 weken schuld.
Ik had wel verwacht dat U in deze tijd met zoo’n zeer barre winter een klein beetje medewerking zou betonen. Uit bovenstaande kunt U toch wel opmaken, dat ik * Onderwerp: De brief is een reactie op een aanmaning (gedateerd 10 februari 1940) voor achterstallig marktgeld.
* Argumentatie: De schrijver voert twee hoofdzakelijke redenen aan voor de betalingsachterstand:
1. Financiële nood: Het inkomen van de schrijver is marginaal; het ligt op het niveau van de 'steun' (de toenmalige werkloosheidsuitkering), maar omdat de schrijver wel inkomen heeft, is er geen recht op aanvullende hulp.
2. Overmacht door weersomstandigheden: Door een extreem strenge winter was de Albert Cuypmarkt zes weken lang vrijwel onbruikbaar ("onbegaanbare toestand").
* Toon: De toon is enerzijds eerbiedig ("Wel Ed. Heer", "Mijnheer"), maar bevat ook een zweem van verongelijktheid of moreel beroep op de menselijkheid van de directeur ("Ik had wel verwacht dat U...").
* Correctie: De schrijver merkt op dat hij ondanks de situatie toch voor twee weken heeft betaald, waardoor de schuld volgens hem geen zes, maar vier weken bedraagt. Dit document biedt een inkijkje in de sociaaleconomische situatie in Amsterdam aan de vooravond van de Duitse inval (mei 1940). De winter van 1939-1940 staat bekend als een van de strengste winters van de 20e eeuw in Nederland, met zware vorst en sneeuwval die het openbare leven en de handel op straat nagenoeg stillegden.
Voor kleine zelfstandigen, zoals de marktkooplieden op de Albert Cuypstraat, betekende dit een acute crisis: geen handel betekende geen inkomen, terwijl de vaste lasten (zoals het marktgeld voor de staanplaats) doorliepen. De brief illustreert de frictie tussen de bureaucratische regels van de gemeente (het Marktwezen) en de harde realiteit van de armere Amsterdammers in die tijd. De term "steun" verwijst naar het stelsel van de Werkloosheidsverzekering en de Crisis-Instelling, die destijds als erg karig en vernederend werd ervaren.