Officiële kennisgeving/brief (doorslag).
Origineel
Officiële kennisgeving/brief (doorslag). 21 maart 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Markthallen of Marktwezen Amsterdam). Den Heer A. v. Cleef, Louis Bothastraat 12, Amsterdam-Oost. [Rechtsboven, handgeschreven]: 20 ex. R. de Raes.
[Midden boven]: HG. [handgeschreven]: extra
[Links boven]: 25/51/7 M.
[Rechts boven]: 21 Maart 1940.
den Heer A.v.Cleef,
Louis Bothastraat 12,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
Mij is gerapporteerd, dat U zich op 16 Maart jl. wederom op Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat heeft laten vervangen. U heeft daarmede de voorwaarde overtreden, die was verbonden aan de U voorwaardelijk opgelegde straf, waarvan U met mijn brief d.d. 22 November jl. (No.25/212/2 M.) mededeeling is gedaan. De bedoelde straf, zijnde ontneming van het recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen voor den tijd van twee dagen, wordt thans ten uitvoer gelegd. Bovendien straf ik U, op grond van de overtreding van 16 Maart jl. met ontneming van het recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen voor den tijd van één dag; beide straffen worden ten uitvoer gelegd op Dinsdag 26, Woensdag 27 en Donderdag 28 Maart a.s.
De Directeur, In deze brief wordt de heer A. v. Cleef, een marktkoopman op de Albert Cuypmarkt, op de hoogte gesteld van een tuchtrechtelijke maatregel. De kern van het conflict is dat de heer Van Cleef zich op 16 maart 1940 heeft laten vervangen bij zijn marktkraam, wat blijkbaar tegen de geldende regels was.
Omdat hij al een eerdere, voorwaardelijke straf had uitstaan (van 22 november 1939), wordt deze nu omgezet in een effectieve straf van twee dagen marktverbod. Daarbovenop krijgt hij voor de nieuwe overtreding van 16 maart nog één dag extra verbod. In totaal mag de heer Van Cleef drie opeenvolgende dagen (26 t/m 28 maart 1940) zijn beroep niet uitoefenen op de Amsterdamse markten.
De handgeschreven notitie "20 ex. R. de Raes" wijst op een administratieve handeling, waarbij mogelijk kopieën naar verschillende instanties of toezichthouders zijn gestuurd. Dit document stamt uit maart 1940, de periode van de "Schemeroorlog", slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het geeft een inkijkje in de strikte bureaucratie en handhaving van de marktreglementen in Amsterdam in die tijd.
De locatie van de ontvanger is veelzeggend: de Louis Bothastraat 12 in Amsterdam-Oost lag in de Transvaalbuurt, een wijk die in 1940 een zeer grote Joodse populatie kende. De naam "A. v. Cleef" is een veelvoorkomende Joods-Nederlandse naam. Veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de ambulante handel en op de markten, zoals de Albert Cuyp.
Hoewel deze straf een reguliere disciplinaire maatregel lijkt voor het overtreden van marktregels, is het document wrang in de historische context: kort na de bezetting in mei 1940 zouden Joodse marktkooplieden te maken krijgen met steeds restrictievere maatregelen van de bezetter, die uiteindelijk zouden leiden tot een totaal verbod op hun beroepsuitoefening en deportatie. Dit document legt dus een moment van "normale" administratieve tucht vast, vlak voordat het leven voor de Joodse gemeenschap in Amsterdam drastisch en gewelddadig zou veranderen.