Archief 745
Inventaris 745-315
Pagina 398
Dossier 24
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag of officieel afschrift) met handgeschreven kanttekeningen.

8 mei 1940. Van: Een directeur van een Amsterdamse gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling, gezien de inhoud), aangeduid met initialen vP/HG en referentienummer 25/72/2 M. Aan: De Heer Directeur van de Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose, Nieuwe Achtergracht 100, Amsterdam.

Origineel

Getypte brief (doorslag of officieel afschrift) met handgeschreven kanttekeningen. 8 mei 1940. Een directeur van een Amsterdamse gemeentelijke instantie (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling, gezien de inhoud), aangeduid met initialen vP/HG en referentienummer 25/72/2 M. De Heer Directeur van de Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose, Nieuwe Achtergracht 100, Amsterdam. [Rechtsboven, handgeschreven:]
Lex Hr. de Han.

[Linksboven, getypt:]
vP/HG.

25/72/2 M.

[Midden boven, handgeschreven over de datum:]
Verzonden 8/5-'40

[Rechtsmidden, getypt:]
8 Mei 1940.

den Heer Directeur van de
Amsterdamsche Vereeniging tot
Bestrijding der Tuberculose,
Nwe. Achtergracht 100,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.

Naar aanleiding van Uw brief d.d. 19 April jl.
(No. 76672) heb ik de eer U te berichten, dat I. van Linda
dagelijks een zoogenaamde losse plaats op de markt aan de
Albert Cuypstraat kan bezetten. Tot mijn spijt is het niet
mogelijk hem, in afwijking van de reglementaire bepalingen,
aan een zoogenaamde vaste plaats te helpen.

De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek van de "Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose". De vereniging had blijkbaar bemiddeld voor een zekere heer I. van Linda om een vaste staanplaats op de Albert Cuypmarkt te verkrijgen.

De directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen) wijst het verzoek voor een vaste plaats af, omdat dit in strijd zou zijn met de geldende reglementen. In plaats daarvan wordt meegedeeld dat Van Linda wel dagelijks een losse plaats mag bezetten. Een losse plaats betekende in die tijd dat de koopman elke ochtend opnieuw moest loten of zich moest melden voor een beschikbare plek, zonder de zekerheid van een vaste locatie of gegarandeerde aanwezigheid.

De toon van de brief is ambtelijk en beleefd ("heb ik de eer U te berichten", "tot mijn spijt"). De historische context van dit document is zeer treffend vanwege de datum: 8 mei 1940. Dit is slechts twee dagen voor de Duitse inval in Nederland (10 mei 1940). De brief toont de dagelijkse gang van zaken en de voortgang van de bureaucratie in Amsterdam, pal voor het uitbreken van de oorlogsellende.

De betrokkenheid van de "Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose" suggereert dat I. van Linda mogelijk een (ex-)patiënt was. In die tijd probeerden dergelijke verenigingen vaak patiënten te re-integreren in het arbeidsproces door licht buitenwerk te zoeken, zoals werken op de markt, wat gunstig werd geacht voor de gezondheid.

Daarnaast is de Albert Cuypmarkt historisch gezien een plek met veel Joodse kooplieden. Gezien de achternaam "Van Linda" en de locatie, is het zeer waarschijnlijk dat de betrokkene van Joodse afkomst was. Dit geeft het document een extra lading; binnen korte tijd na het schrijven van deze brief zouden de bezettingsautoriteiten beginnen met het beperken van de bewegingsvrijheid en economische rechten van Joodse markthandelaren, wat uiteindelijk zou leiden tot de totale uitsluiting en deportatie.

Samenvatting

Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek van de "Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose". De vereniging had blijkbaar bemiddeld voor een zekere heer I. van Linda om een vaste staanplaats op de Albert Cuypmarkt te verkrijgen.

De directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen) wijst het verzoek voor een vaste plaats af, omdat dit in strijd zou zijn met de geldende reglementen. In plaats daarvan wordt meegedeeld dat Van Linda wel dagelijks een losse plaats mag bezetten. Een losse plaats betekende in die tijd dat de koopman elke ochtend opnieuw moest loten of zich moest melden voor een beschikbare plek, zonder de zekerheid van een vaste locatie of gegarandeerde aanwezigheid.

De toon van de brief is ambtelijk en beleefd ("heb ik de eer U te berichten", "tot mijn spijt").

Historische Context

De historische context van dit document is zeer treffend vanwege de datum: 8 mei 1940. Dit is slechts twee dagen voor de Duitse inval in Nederland (10 mei 1940). De brief toont de dagelijkse gang van zaken en de voortgang van de bureaucratie in Amsterdam, pal voor het uitbreken van de oorlogsellende.

De betrokkenheid van de "Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose" suggereert dat I. van Linda mogelijk een (ex-)patiënt was. In die tijd probeerden dergelijke verenigingen vaak patiënten te re-integreren in het arbeidsproces door licht buitenwerk te zoeken, zoals werken op de markt, wat gunstig werd geacht voor de gezondheid.

Daarnaast is de Albert Cuypmarkt historisch gezien een plek met veel Joodse kooplieden. Gezien de achternaam "Van Linda" en de locatie, is het zeer waarschijnlijk dat de betrokkene van Joodse afkomst was. Dit geeft het document een extra lading; binnen korte tijd na het schrijven van deze brief zouden de bezettingsautoriteiten beginnen met het beperken van de bewegingsvrijheid en economische rechten van Joodse markthandelaren, wat uiteindelijk zou leiden tot de totale uitsluiting en deportatie.

Gerelateerde Documenten 4