Archief 745
Inventaris 745-316
Pagina 47
Dossier 24
Jaar 1940
Stadsarchief

Brief (doorslag van een typoscript met handgeschreven aantekeningen)

30 mei 1940 (handgeschreven verzenddatum: 31 mei 1940) Van: De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam) Aan: De Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam.

Origineel

Brief (doorslag van een typoscript met handgeschreven aantekeningen) 30 mei 1940 (handgeschreven verzenddatum: 31 mei 1940) De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam) De Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. [Handgeschreven rechtsboven:]
ter. h. de Boer
ter. h. Müller

[Getypt linksboven:]
VP/DV.

25/94/2 M.

[Handgeschreven middenboven:]
Verzonden 31/5-'40.

[Getypt rechtsboven:]
30 Mei 1940.

[Getypt links:]
Kwijtschelding marktgeld aan
zes kooplieden van Duitsche
nationaliteit.

[Getypt rechts:]
den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen,
A l h i e r .

[Hoofdtekst:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat het den on-
derstaanden zes kooplieden van Duitsche nationaliteit, die vas-
te plaatsen op de markt Albert Cuypstraat bezetten, vanaf 10 Mei
1940 door de Regeering was verboden hun woningen te verlaten. Zij
hebben daarom van hun marktplaatsen op de markt Albert Cuypstraat
gedurende de periode van 10 tot 16 Mei jl. geen gebruik kunnen
maken. Het lijkt mij billijk, dat hun, op grond van artikel 10 der
Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden,
ieder kwijtschelding van door hen verschuldigd marktgeld wordt
verleend voor den tijd van één kalenderweek, dus tot een bedrag
van ƒ 1,35. Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevor-
deren, dat dienovereenkomstig door Burgemeester en Wethouders
wordt besloten.
De namen en adressen der belanghebbende kooplieden zijn:
A.Nadler, Weesperstraat 9 I,
J.Simon, Lijnbaansgracht 266 I,
M.K.Madelong, Th.Schwartzeplein 33 II,
F.H.Kühnel, 2e Jacob van Campenstraat 107 hs.,
A.Heidemann, Zoomstraat 9 I,
H.J.Unger, Sarphatistraat 80 hs.

                                                    **De Directeur,** Het document is een officiële ambtelijke correspondentie binnen de gemeente Amsterdam, gedateerd slechts vijftien dagen na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. De directeur van de marktdienst verzoekt de wethouder om een financiële compensatie (kwijtschelding) voor zes Duitse marktkooplieden.

De argumentatie is strikt juridisch en billijk van aard: de kooplieden konden hun standplaats op de Albert Cuypmarkt niet gebruiken omdat zij door de Nederlandse regering onder huisarrest waren geplaatst tijdens de invasie (10 t/m 16 mei 1940). De directeur stelt voor om het marktgeld van ƒ 1,35 per persoon kwijt te schelden op basis van de vigerende verordening. De lijst met namen en adressen geeft een concreet beeld van deze specifieke groep ondernemers in Amsterdam aan het begin van de bezetting. De historische context van dit document is de directe nasleep van de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940. Tijdens de vijf dagen van strijd nam de Nederlandse overheid maatregelen tegen "vijandelijke onderdanen". In Nederland woonachtige Duitsers werden vaak beschouwd als een potentieel gevaar (de zgn. 'Vijfde Colonne') en kregen daarom een verbod hun woning te verlaten of werden geïnterneerd.

Nadat Nederland op 15 mei capituleerde, veranderde de status van deze Duitse burgers onmiddellijk van "verdachte vreemdelingen" naar geprivilegieerde burgers van de bezettende macht. Dit document illustreert hoe het Nederlandse ambtenarenapparaat in de laatste dagen van mei 1940 reeds bezig was met het rechtzetten van "onbillijkheden" die deze Duitse onderdanen tijdens de strijd hadden ondervonden. Het is een tekenend voorbeeld van de snelle aanpassing van het civiele bestuur aan de nieuwe politieke realiteit.

Samenvatting

Het document is een officiële ambtelijke correspondentie binnen de gemeente Amsterdam, gedateerd slechts vijftien dagen na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. De directeur van de marktdienst verzoekt de wethouder om een financiële compensatie (kwijtschelding) voor zes Duitse marktkooplieden.

De argumentatie is strikt juridisch en billijk van aard: de kooplieden konden hun standplaats op de Albert Cuypmarkt niet gebruiken omdat zij door de Nederlandse regering onder huisarrest waren geplaatst tijdens de invasie (10 t/m 16 mei 1940). De directeur stelt voor om het marktgeld van ƒ 1,35 per persoon kwijt te schelden op basis van de vigerende verordening. De lijst met namen en adressen geeft een concreet beeld van deze specifieke groep ondernemers in Amsterdam aan het begin van de bezetting.

Historische Context

De historische context van dit document is de directe nasleep van de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940. Tijdens de vijf dagen van strijd nam de Nederlandse overheid maatregelen tegen "vijandelijke onderdanen". In Nederland woonachtige Duitsers werden vaak beschouwd als een potentieel gevaar (de zgn. 'Vijfde Colonne') en kregen daarom een verbod hun woning te verlaten of werden geïnterneerd.

Nadat Nederland op 15 mei capituleerde, veranderde de status van deze Duitse burgers onmiddellijk van "verdachte vreemdelingen" naar geprivilegieerde burgers van de bezettende macht. Dit document illustreert hoe het Nederlandse ambtenarenapparaat in de laatste dagen van mei 1940 reeds bezig was met het rechtzetten van "onbillijkheden" die deze Duitse onderdanen tijdens de strijd hadden ondervonden. Het is een tekenend voorbeeld van de snelle aanpassing van het civiele bestuur aan de nieuwe politieke realiteit.

Gerelateerde Documenten 6