Getypte ambtelijke brief/memo.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memo. 30 mei 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-afdeling van de gemeente Amsterdam). De Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. VP/DV.
25/94/2 M.
30 Mei 1940.
Kwijtschelding marktgeld aan
zes kooplieden van Duitsche
nationaliteit.
den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen,
A l h i e r.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat het den on-
derstaanden zes kooplieden van Duitsche nationaliteit, die vas-
te plaatsen op de markt Albert Cuypstraat bezetten, vanaf 10 Mei
1940 door de Regeering was verboden hun woningen te verlaten. Zij
hebben daarom van hun marktplaatsen op de markt Albert Cuypstraat
gedurende de periode van 10 tot 16 Mei jl. geen gebruik kunnen
maken. Het lijkt mij billijk, dat hun, op grond van artikel 10 der
Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden,
ieder kwijtschelding van door hen verschuldigd marktgeld wordt
verleend voor den tijd van één kalenderweek, dus tot een bedrag
van ƒ 1,35. Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevor-
deren, dat dienovereenkomstig door Burgemeester en Wethouders
wordt besloten.
De namen en adressen der belanghebbende kooplieden zijn:
A.Nadler, Weesperstraat 9 I,
J.Simon, Lijnbaansgracht 266 I,
M.K.Madelong, Th.Schwartzeplein 33 II,
F.H.Kühnel, 2e Jacob van Campenstraat 107 hs.,
A.Heidemann, Zoomstraat 9 I,
H.J.Unger, Sarphatistraat 80 hs.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk schrijven waarin wordt voorgesteld om marktgeld kwijt te schelden voor een zestal marktkooplieden van de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De reden voor dit verzoek is dat deze kooplieden de "Duitse nationaliteit" bezaten en daardoor direct na de Duitse inval op 10 mei 1940 door de Nederlandse regering onder huisarrest waren geplaatst. Hierdoor konden zij gedurende de eerste oorlogsweek hun standplaats niet bezetten.
De directeur van de betreffende dienst baseert zijn verzoek op "billijkheid" en verwijst naar de geldende verordeningen. Het bedrag waarom het gaat is ƒ 1,35 per persoon. Opvallend is de lijst met namen en adressen; deze bevinden zich in de Joodse buurt (Weesperstraat) en andere delen van Amsterdam-Centrum en Zuid. Hoewel ze als "Duitse nationaliteit" worden aangeduid, suggereert de context van 1940 dat dit zowel (niet-Joodse) Duitse rijksburgers als Joods-Duitse vluchtelingen konden zijn, die in de chaos van de eerste oorlogsdagen door de Nederlandse overheid vaak over één kam werden geschoren als potentieel staatsgevaarlijk. De datum van de brief, 30 mei 1940, is slechts twee weken na de Nederlandse capitulatie (15 mei 1940). Het document illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie in de eerste weken van de bezetting gewoon doordraaide en trachtte administratieve kwesties die tijdens de vijf dagen van strijd waren ontstaan, af te wikkelen.
Op 10 mei 1940 vaardigde de Nederlandse regering strenge maatregelen uit tegen Duitse onderdanen in Nederland. Velen werden geïnterneerd of kregen een strikt verbod hun woning te verlaten uit vrees voor sabotage of hulp aan de binnenvallende troepen (de zogenoemde "vijfde colonne").
Er schuilt een wrange ironie in dit document: terwijl de Amsterdamse ambtenarij hier nog zorgvuldig en "billijk" een klein bedrag aan marktgeld teruggeeft aan deze kooplieden omdat zij door de Nederlandse overheid werden beperkt, zouden velen van hen (indien zij Joods waren) kort daarna door de Duitse bezetter volledig uit het economische leven en van de markten worden verbannen. De genoemde adressen (zoals de Weesperstraat en Sarphatistraat) wijzen erop dat ten minste een deel van de genoemden tot de Joodse gemeenschap behoorde.