Archief 745
Inventaris 745-320
Pagina 164
Dossier 26
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag op dun papier).

16 september 1940. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam).

Origineel

Getypte brief (doorslag op dun papier). 16 september 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). (Handgeschreven: Verzonden 16/9) (Handgeschreven: vande Laar)

vP/HG.

den Heer S. Jas,
Vechtstraat 68 II,
Amsterdam-Zuid.

Wijk 22B.

27/66/2 M. 16 September 1940.

Naar aanleiding van Uw briefkaart ingekomen op 26 Augustus
jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilli-
ging in aanmerking kan komen. Indien U niet voortaan ten minste
twee maal per week een plaats op de markt ten Katestraat bezet, zal
de U verleende voorkeurskaart worden ingetrokken, overeenkomstig de
desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.

De Directeur, De brief is een formeel administratief schrijven van de Amsterdamse marktmeester of directeur van de marktdienst aan de heer S. Jas. Uit de inhoud blijkt dat Jas een verzoek had ingediend (waarschijnlijk voor vrijstelling of wijziging van zijn marktdagen), dat per direct wordt afgewezen.

De kern van de brief is een dwingende waarschuwing: Jas moet minimaal twee keer per week zijn vaste plek op de Ten Katemarkt bezetten. Doet hij dit niet, dan verliest hij zijn 'voorkeurskaart' (een vergunning voor een vaste standplaats). De toon is strikt bureaucratisch en onbuigzaam, typerend voor overheidscommunicatie in die periode. Dit document is gedateerd op 16 september 1940, slechts vier maanden na de Duitse inval in Nederland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een gewone administratieve kwestie lijkt, krijgt hij een wrange lading door de historische context van de Jodenvervolging in Amsterdam.

De geadresseerde, Samuel Jas (geboren in 1894), was een Joodse marktkoopman die inderdaad op de Vechtstraat 68-II woonde. De Rivierenbuurt, waar de Vechtstraat ligt, had destijds een zeer grote Joodse populatie. In de loop van 1940 en 1941 werden Joodse marktkooplieden door de bezetter en collaborerende instanties steeds verder beperkt in hun werkzaamheden, tot ze uiteindelijk geheel van de reguliere markten werden verbannen naar specifieke 'Jodenmarkten'.

De weigering van zijn verzoek en de dreiging met het intrekken van zijn vergunning kunnen worden gezien als de vroege bureaucratische druk waaronder Joodse Amsterdammers kwamen te staan. Samuel Jas is, volgens gegevens van het Joods Monument, in juli 1943 vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Dit document is daarmee een tastbaar bewijs van de dagelijkse, bijna banale strijd die Joodse burgers voerden om hun bron van inkomst te behouden in de vroege fase van de bezetting.

Samenvatting

De brief is een formeel administratief schrijven van de Amsterdamse marktmeester of directeur van de marktdienst aan de heer S. Jas. Uit de inhoud blijkt dat Jas een verzoek had ingediend (waarschijnlijk voor vrijstelling of wijziging van zijn marktdagen), dat per direct wordt afgewezen.

De kern van de brief is een dwingende waarschuwing: Jas moet minimaal twee keer per week zijn vaste plek op de Ten Katemarkt bezetten. Doet hij dit niet, dan verliest hij zijn 'voorkeurskaart' (een vergunning voor een vaste standplaats). De toon is strikt bureaucratisch en onbuigzaam, typerend voor overheidscommunicatie in die periode.

Historische Context

Dit document is gedateerd op 16 september 1940, slechts vier maanden na de Duitse inval in Nederland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een gewone administratieve kwestie lijkt, krijgt hij een wrange lading door de historische context van de Jodenvervolging in Amsterdam.

De geadresseerde, Samuel Jas (geboren in 1894), was een Joodse marktkoopman die inderdaad op de Vechtstraat 68-II woonde. De Rivierenbuurt, waar de Vechtstraat ligt, had destijds een zeer grote Joodse populatie. In de loop van 1940 en 1941 werden Joodse marktkooplieden door de bezetter en collaborerende instanties steeds verder beperkt in hun werkzaamheden, tot ze uiteindelijk geheel van de reguliere markten werden verbannen naar specifieke 'Jodenmarkten'.

De weigering van zijn verzoek en de dreiging met het intrekken van zijn vergunning kunnen worden gezien als de vroege bureaucratische druk waaronder Joodse Amsterdammers kwamen te staan. Samuel Jas is, volgens gegevens van het Joods Monument, in juli 1943 vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Dit document is daarmee een tastbaar bewijs van de dagelijkse, bijna banale strijd die Joodse burgers voerden om hun bron van inkomst te behouden in de vroege fase van de bezetting.

Gerelateerde Documenten 6