Getypte brief (doorslag/kopie) op dun archiefpapier.
Origineel
Getypte brief (doorslag/kopie) op dun archiefpapier. 4 oktober 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:] M. de Beer [?]
[Handgeschreven, midden boven:] Verzonden [onleesbaar]
[Getypt:]
VP/HG.
den Heer J. Morpurgo,
Waterlooplein 21 II,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
30/56/2 M. 4 October 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 26 September jl.
bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging
in aanmerking kan komen. Indien U voortaan Uw plaatsen op de
markten Waterlooplein, Dapperstraat en Westerstraat niet regelmatig
bezet, zullen deze plaatsen worden ingetrokken, overeenkomstig de
desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, Het betreft een officiële, zakelijke mededeling van de gemeente Amsterdam (waarschijnlijk de dienst belast met de markten) aan een marktkoopman, de heer J. Morpurgo. De toon is formeel en autoritair.
De kern van de brief is tweeledig:
1. Afwijzing: Een niet nader gespecificeerd verzoek van Morpurgo van 26 september 1940 wordt afgewezen.
2. Waarschuwing: Morpurgo krijgt een officiële waarschuwing dat hij zijn marktplaatsen op het Waterlooplein, de Dapperstraat en de Westerstraat "regelmatig" moet bezetten. Als hij dit nalaat, zullen zijn vergunningen voor deze plaatsen worden ingetrokken conform het marktreglement.
Het document is een doorslag, wat blijkt uit de vage typografie en het dunne papier, bedoeld voor het archief van de verzender. De handgeschreven aantekeningen bovenin zijn waarschijnlijk parafen van ambtenaren of administratieve aanwijzingen ("Verzonden"). De datum van de brief, 4 oktober 1940, is zeer relevant. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De geadresseerde, J. Morpurgo, woonde op het Waterlooplein, het hart van de toenmalige Joodse buurt in Amsterdam. De achternaam Morpurgo is een bekende Sefardisch-Joodse naam.
Hoewel de brief strikt bureaucratisch is en handelt over marktregels, moet deze gezien worden in het licht van de beginnende anti-Joodse maatregelen van de bezetter. In de loop van 1940 en 1941 werd het voor Joodse markthandelaren steeds moeilijker om hun werk uit te oefenen door beperkende maatregelen en uiteindelijk uitsluiting. De dreiging met het intrekken van standplaatsen was een effectief middel voor de (onder Duits toezicht staande) bureaucratie om druk uit te oefenen op Joodse ondernemers.
Deze brief illustreert hoe het dagelijks leven en de economische positie van Joodse Amsterdammers al kort na het begin van de bezetting onder ambtelijke druk kwamen te staan, nog voordat de grootschalige deportaties begonnen. J. Morpurgo M. de Beer Gemeente Amsterdam Marktwezen