Officiële zakelijke brief.
Origineel
Officiële zakelijke brief. 13 november 1940. Directie van het Marktwezen, Amsterdam. den Heer L. Hoogesteger, Centrale Markt O 4, Amsterdam-West. Handgeschreven bovenaan: Verzonden 13/11
DIRECTIE VAN HET MARKTWEZEN.
Amsterdam-West,
Jan van Galenstr. 13 November 1940
No. 37/2/50 M
Aan
den Heer L. Hoogesteger,
Centrale Markt O 4,
Amsterdam-West.
In bijlage dezes heb ik de eer U het geregistreerde huurcon-
tract betreffende een door U gehuurde pakhuisafdeeling op de Centra-
le Markt te doen toekomen.
Ik verzoek U beleefd rekening te houden met het feit, dat,
ingevolge het bepaalde in artikel 1619 van het Burgerlijk Wetboek re-
paratiën, zooals van rolluiken, ruiten, sloten, enz., voor Uw reke-
ning zijn.
Tevens breng ik, voor zoo ver noodig, in herinnering, dat ar-
tikel 8 van het contract verbiedt om reclamemiddelen of aankondi-
gingen te Uwen behoeve of ten behoeve van derden aan of op het ge-
huurde aan te brengen, zonder mijn schriftelijke toestemming. U gelie-
ve zich in alle gevallen, waarin U tot het aanbrengen van eenig bord
of andere aanduiding wenscht over te gaan, vóóraf met mij te verstaan.
De Directeur, Het document is een formele mededeling van de Directie van het Marktwezen aan een huurder op de Centrale Markt in Amsterdam. De brief dient drie doelen:
1. Formele overdracht: Het toesturen van het officieel geregistreerde huurcontract voor een pakhuisruimte.
2. Juridische herinnering (Onderhoud): De huurder wordt gewezen op artikel 1619 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit voortvloeit dat klein onderhoud en reparaties (zoals glasherstel en sloten) voor rekening van de huurder komen.
3. Contractuele herinnering (Reclame): De huurder wordt gewezen op artikel 8 van het contract, dat het verbiedt om zonder schriftelijke toestemming reclameborden of aankondigingen te plaatsen. Dit duidt op een streng beheer van de visuele eenheid en orde op het marktterrein.
De toon is uiterst hoffelijk en bureaucreatisch ("heb ik de eer", "U gelieve zich... te verstaan"). De brief is gedateerd op 13 november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland (mei 1940). Hoewel de brief een puur administratief karakter heeft en de normale gang van zaken van het Amsterdamse Marktwezen weerspiegelt, valt de datum in een periode waarin de bezetter langzaam meer grip kreeg op de civiele administratie.
De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat (tegenwoordig het Food Center Amsterdam) was in die tijd het kloppende hart van de groothandel in levensmiddelen voor de stad. Huurders zoals de heer Hoogesteger waren handelaren die daar hun opslag en pakhuis hadden. Het document laat zien dat de stedelijke bureaucratie en de handhaving van private contracten en het Burgerlijk Wetboek in de eerste maanden van de bezetting nog grotendeels op de vooroorlogse wijze doorgingen. L. Hoogesteger Marktwezen