Handgeschreven brief of conceptbrief (fragment).
Origineel
Handgeschreven brief of conceptbrief (fragment). [Doorgestreept: mij is in onzen rechtsstaat de
gelegenheid niet worden
onthouden om hunne bedoelde
gingen voor de strafrechter
te bewijzen]
Naar mijn bescheiden meening
hebben zij zich schuldig gemaakt
aan het misdrijf van art.
262 jo. 267 Wetboek van Strafrecht,
weshalve, ingevolge art. 269 van dat
Wetboek, een formeele klacht
onzerzijds niet noodig is. [Doorgestreept: Zoo ik]
Inmiddels verblijf ik, met
[Doorgestreept: beleefde groeten] de meeste hoogachting,
[Doorgestreept: handtekening/onleesbaar]
[Doorgestreept: De], Secretaris van het Rusthuis * Juridische inhoud: De schrijver refereert aan specifieke artikelen uit het Wetboek van Strafrecht (WvS):
* Art. 262: Betreft 'laster' (het opzettelijk aanranden van iemands eer of goede naam door beschuldigingen waarvan men weet dat ze onwaar zijn).
* Art. 267: Betreft smaad of laster gericht tegen het openbaar gezag, openbare lichamen of instellingen.
* Art. 269: Regelt de vervolgbaarheid. Normaal gesproken zijn deze feiten klachtdelicten (vervolging vindt alleen plaats na een formele klacht), maar art. 269 bevat uitzonderingen voor situaties zoals beschreven in art. 267. De schrijver concludeert daarom dat een "formeele klacht" niet nodig is voor strafrechtelijke vervolging.
* Schrijfstijl: De toon is formeel en juridisch onderlegd. Het gebruik van "bescheiden meening" en "de meeste hoogachting" is typerend voor de zakelijke correspondentie uit de vroege tot midden 20e eeuw.
* Correcties: De auteur worstelde met de aanhef en de afsluiting. De eerste vijf regels, waarin frustratie over het niet kunnen leveren van bewijs in een rechtsstaat doorschemert, zijn volledig geschrapt ten gunste van een puur juridische vaststelling. Dit fragment lijkt afkomstig uit een dossier waarin een conflict centraal staat tussen een "Rusthuis" en een derde partij (mogelijk ex-medewerkers, familieleden of journalisten). Er is sprake van beschuldigingen die door de secretaris als lasterlijk worden ervaren. De brief is waarschijnlijk gericht aan een officier van justitie of een juridisch adviseur om aan te dringen op vervolging zonder dat de instelling zelf nog verdere formele stappen (de klacht) hoeft te ondernemen. De nadruk op het niet nodig zijn van een klacht suggereert dat men de autoriteiten wil aanzetten tot ambtshalve vervolging.