Ambtelijke brief/rapportage.
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage. 8 juli 1940. Onbekend (vermoedelijk de directeur van de Centrale Markt of een politiefunctionaris). (Handgeschreven rechtsboven:)
Gezien
10-7-40
de Boer
ter kennisneming
en vergrendeling.
v.d.L/G.
(Hoofdtekst:)
37/103/1 N
8 Juli 1940.
Verboden clandestiene
fruitmarkt op zondag op
het Waterlooplein.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Nu by besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 30 Mei 1940 No. 387 L.M. artikel 5 van het Reglement Centrale Markt in dier voege is gewijzigd, dat als koopers tot de Cen-trale Markt alleen worden toegelaten, personen, die hun waren uitsluitend van de op de Centrale Markt gevestigde grossiers betrekken, moge ik voor het volgende Uw aandacht vragen.
Reeds sedert meer dan 10 jaren wordt in de zomermaanden (Juni, Juli, Augustus tot half September) op het Waterlooplein des Zondagsmorgens een clandestiene markt gehou-den, waar zacht fruit (aardbeien, kersen, bessen en pruimen) door grossiers aan koopers (naast een enkelen winkelier vry-wel uitsluitend venters) wordt verkocht. Ofschoon deze markt in stryd is met artikel 344a der Algemeene Politie Verordening – dat het verkoopen op den openbaren weg verbiedt van goederen waarvoor een marktplaats is aangewezen – is tegen het houden dezer historisch gegroeide markt tot nu toe niet opgetreden. (Blykens informaties stamt deze markt uit den tyd, dat de Joodsche venters op Zaterdag niet ventten). Wel is enkele jaren geleden als tegenhanger van deze clandestiene markt, op de Centrale Markt ingesteld de zoogenaamde Zaterdagmiddagmarkt voor zacht fruit, doch deze laatste heeft de Zondagochtendmarkt niet kunnen verdringen. Terwijl de Zaterdagmiddagmarkt op de Centrale Markt pleegt te worden bezocht door 5 à 10 grossiers en 60 à 70 (in den druksten tijd 200) koopers, is de Zondagochtendmarkt op het Waterlooplein uit-gegroeid tot een omvang van 20 à 25 grossiers en 500 (in den druksten tijd 700 à 800) koopers. Er zijn op het oogenblik (8 Juli) ongeveer 450 geldige ventvergunningen voor groente, fruit en aardappelen in omloop; dit aantal doet reeds vermoeden – hetgeen een bekend feit is – dat de Zondagochtendmarkt mede bezocht wordt door venters zonder ventvergunning, althans door venters met andere artikelen dan fruit, zooals lompen en visch, die dus des Zondags de Ventverordening over-treden. Daarbij komt, dat op die markt ook leurders en hande-laren van buiten Amsterdam als verkoopers optreden (van de + 25 grossiers aldaar zijn een 20-tal inderdaad gevestigd op de Centrale Markt).
Op deze markt, die, zooals U zich gisteren per- Het document is een ambtelijk schrijven waarin wordt gerapporteerd over de hardnekkigheid van een illegale zondagmarkt op het Amsterdamse Waterlooplein. De tekst legt de nadruk op de spanning tussen de "historisch gegroeide" praktijk en de officiële regelgeving (de Algemeene Politie Verordening en het Reglement Centrale Markt).
De opsteller merkt op dat een poging om deze handel te kanaliseren naar een officiële zaterdagmiddagmarkt op de Centrale Markt is mislukt; de clandestiene markt op zondag is vele malen groter (tot wel 800 kopers tegenover maximaal 200 op de officiële markt). Er wordt specifiek gewezen op het feit dat veel handelaren geen vergunning hebben of handelen in goederen die niet zijn toegestaan op die plek (zoals vis en lompen). De rode onderstrepingen in de tekst wijzen erop dat de lezer (de wethouder) extra aandacht moest besteden aan de illegale aard ("clandestiene"), de Joodse oorsprong, en de aanwezigheid van handelaren van buiten de stad. Dit document is gedateerd op 8 juli 1940, slechts twee maanden na de Duitse inval in Nederland. De vroege bezettingsperiode kenmerkte zich door een streven naar orde en controle door zowel het Nederlandse bestuur als de bezetter.
Het Waterlooplein lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De expliciete vermelding dat de markt is ontstaan omdat Joodse venters op de Sabbat (zaterdag) niet werkten, is een belangrijk historisch detail. Hoewel de grootschalige vervolging op dit moment nog niet in volle gang was, begon de druk op de Joodse bevolking en hun economische activiteiten toe te nemen. Het aanscherpen van marktregels en het optreden tegen "clandestiene" handel paste in een breder beleid van centralisatie en regulering van de voedselvoorziening, wat in de loop van de oorlog onder de schaarste steeds nijpender zou worden.