Getypte brief (waarschijnlijk een doorslag van een officieel bericht).
Origineel
Getypte brief (waarschijnlijk een doorslag van een officieel bericht). 14 november 1940. Een ongenoemde directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst). Extra [handgeschreven in cursief]
N.V. Keizer's Fruithandel,
Centrale Markt,
A l h i e r.
37/164/3 M. 14 November 1940.
Naar aanleiding van Uw op 8 dezer ingediend verzoek
om schadevergoeding tot een bedrag van f 33,50, deel ik U
mede, dat dit verzoek ter verdere behandeling is doorgegeven
aan het Gemeentelyk Assurantiefonds, Raadhuis, alhier.
De Directeur, Dit document is een formele, ambtelijke mededeling. De kern van de boodschap is dat een claim voor schadevergoeding, ingediend door N.V. Keizer's Fruithandel op 8 november 1940, is ontvangen en wordt doorgeleid.
Het bedrag waar het om gaat is 33,50 gulden. De brief is ondertekend door "De Directeur", hoewel de specifieke afdeling niet op dit afschrift staat vermeld. De claim wordt overgedragen aan het "Gemeentelyk Assurantiefonds" (gevestigd in het Raadhuis), wat aangeeft dat de gemeente Amsterdam (gezien de verwijzingen naar de Centrale Markt en het Raadhuis) de partij is die de claim in behandeling neemt. De term "Extra" bovenaan suggereert dat dit een specifiek gemarkeerd dossier of een extra kopie betreft. De datum van het document, 14 november 1940, is historisch significant. Nederland bevond zich op dat moment in de vroege fase van de Duitse bezetting (zes maanden na de capitulatie).
Dit document illustreert dat het reguliere civiele en bureaucratische leven in steden als Amsterdam in de eerste maanden van de bezetting grotendeels bleef doorlopen volgens bestaande procedures. Bedrijven zoals Keizer's Fruithandel, gevestigd op de Centrale Markt (nu het Food Center Amsterdam), zetten hun handel voort en handelden schadeclaims af met de gemeente zoals zij dat voor de oorlog gewend waren.
In de bredere context van de Tweede Wereldoorlog is de naam van de geadresseerde relevant: N.V. Keizer's Fruithandel was een Joodse onderneming. In de jaren die volgden op deze brief zouden dergelijke bedrijven te maken krijgen met de anti-Joodse maatregelen van de bezetter, waaronder de onteigening ("Arisering") van Joodse zaken.