Archiefdocument
Origineel
25 april [193]9 (gezien de context van 1936 als verleden tijd en de '9' in de datumregel). Onbekend (waarschijnlijk een diensthoofd of inspecteur van de markten in Amsterdam). 3 25 April 9
10/26/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
de schuld van dergelyke kooplieden begon in de practyk
eerst goed op te loopen, zoodra zy hun markt- of stand-
plaats, al of niet met slechts enkele weken schuld, hadden
verlaten en dan aan oproepen en waarschuwingen onzerzyds
geen gehoor meer gaven. Ten slotte werd dan na vele weken
eerst overgegaan tot definitieve intrekking van de plaats,
waarmede de inmiddels opgeloopen schuld dan gefixeerd
werd.
Op grond van al deze overwegingen meende ik tot
afschryving van de meeste dezer oude schulden te moeten
overgaan. Zoodoende werd het tevens mogelyk om in de enkele
gevallen dat een schuldenaar zich aanmeldde voor een nieuwe
plaats, het dezen niet al te moeilyk te maken, waardoor al-
thans dit sociale voordeel werd bereikt, dat menschen gehol-
pen konden worden, niet zelden "uit den steun". Voor de
evengenoemde afschryving kwamen de wettelyk verjaarde schul-
den in aanmerking. Immers artikel 295 van de Gemeentewet
luidt:
"De plaatselyke belasting, die niet binnen 3 jaar,
te rekenen van het tydstip waarop zy verschuldigd, of waarop
de laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevor-
derd, is verjaard."
Zoo werd dus in 1936 het "oude-schulden-boek" ver-
vangen door een nieuwen vorm van administratie, waarby op de
persoonlyke "slips" slechts werden overgenomen de schulden
aan marktgeld en standplaatsgeld, die niet ouder waren dan
3 jaar. Zooals U bekend is, werden sedertdien de maatregelen
tot intrekking van marktplaatsen en standplaatsen wegens
wanbetaling belangryk versneld. Vooral voor de standplaatsen
was zulks noodig, in verband met het feit, dat deze by "be-
schikking" van Burgemeester en Wethouders moeten worden in-
getrokken, waarmede veelal een aantal weken gemoeid gaan.
Ik meen, dat met de hierboven beschreven toepassing van ar-
tikel 295 Gemeentewet voor afschryving van oude schulden aan
markt- en standplaatsgeld een alleszins redelyk, practisch
en juist systeem wordt gevolgd. Het leidt uiteraard tot de-
zelfde toepassing voor oude schuld aan ventgeld: ook deze Dit document betreft een verantwoording over het gevoerde financiële beleid ten aanzien van marktkraam- en standplaatshouders in Amsterdam. De kernpunten zijn:
- Problematiek: Kooplieden verlieten hun standplaats met achterstallige schulden en reageerden niet op waarschuwingen. Tegen de tijd dat een standplaats officieel werd ingetrokken, was de schuld aanzienlijk opgelopen.
- Beleidswijziging: In 1936 is men overgestapt van een statisch "oude-schulden-boek" naar een moderner systeem met persoonlijke "slips". Hierbij werd besloten oude, oninbare schulden af te schrijven.
- Juridische basis: Men beroept zich op artikel 295 van de Gemeentewet, waarin een verjaringstermijn van drie jaar voor plaatselijke belastingen is vastgelegd.
- Sociaal doel: Door schulden te saneren, kregen voormalige schuldenaren de kans een nieuwe start te maken. Dit hielp hen "uit den steun" (de werkloosheidsuitkering) te komen en weer zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien. Het document dateert uit de late jaren '30, een periode waarin Nederland nog steeds de gevolgen van de Grote Depressie ondervond. De werkloosheid was hoog en veel mensen waren afhankelijk van de "steun". De gemeente Amsterdam probeerde enerzijds de administratie te moderniseren en efficiënter te innen, maar zag anderzijds in dat een te rigide incassobeleid mensen in de armoede hield. Door verjaarde schulden kwijt te schelden, stimuleerde de stad het ondernemerschap onder de armste klasse, wat uiteindelijk de gemeentekas ontlastte door een afname van het aantal uitkeringsgerechtigden. De spelling (met 'y' voor 'ij') en de terminologie zijn typerend voor de Nederlandse ambtelijke stijl van voor de Tweede Wereldoorlog. Gemeente Amsterdam