Zakelijke brief (juridische correspondentie).
Origineel
Zakelijke brief (juridische correspondentie). 30 mei 1940. Mr. M. van Vugt, advocaat en procureur. Weledelgeboren Heer Dr. A. van der Laan, Directeur der Centrale Markthallen, Amsterdam. [Briefhoofd]
MR. M. VAN VUGT
ADVOCAAT EN PROCUREUR
TELEFOON 34451 (NA 6 UUR: 27636)
GIRO GEM. AMSTERDAM V. 1682
POSTGIRO 18574
AMSTERDAM, (C.), 30 Mei 19 40.
KEIZERSGRACHT 241
[Stempel linksboven]
Nº 65 / 2 / M. 1940 31/5
[Handgeschreven tekst rechtsboven]
niet dit we
Opb [onderstreept]
[Adresblok]
Den Weledelgeboren Heer Dr. A. van der Laan.
Directeur der Centrale Markthallen.
Jan van Galenstraat 14
A M S T E R D A M.
Weledelgeboren Heer,
Hierbij bevestig ik het onderhoud, dat ik met mijn client, D.R. Lindeman, alhier, op Vrijdag, 24 Mei j.l., met U en den heer Broerse gehad heb over het verleenen van een standplaats aan mijn client op de Centrale Markt.
Ik heb er nota van genomen, dat U niet bereid is aan mijn client een standplaats toe te kennen, hoewel mijn client in het bezit is van een grossierserkenning der Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale. U stelt zich op het standpunt, dat deze grossiers-erkenning ten onrechte is verleend, en de Gemeente daarmede niets te maken heeft, en dat de Gemeente harerzijds de vrijheid heeft, ondanks voormelde erkenning, zich op het standpunt te stellen, dat mijn client geen grossier is.
Voorts hebt U gewezen op de moeilijkheden, welke U met de georganiseerde grossiers ter Centrale Markt zoudt krijgen, indien aan mijn client een standplaats werd toegewezen.
Ik heb U uiteen gezet, dat en waarom ik Uw standpunt onjuist acht, en er met name op gewezen, dat, ook al zou mijn client geen andere winkeliers-afnemers hebben dan zijn eigen broers, hij daarmede niet zou ophouden grossier te zijn. Ik heb voorts gewezen op de onbillijkheid, hierin gelegen, dat mijn client, die tot nu toe in de door hem gemaakte grossierswinsten zijn bestaan vond, thans van dit inkomen wordt beroofd, en dit inkomen, ten gevolge van de door U aangenomen houding, in de zak der ter Centrale Markt vertegenwoordigde andere grossiers belandt, zonder dat daarvoor eenige redelijke grond is aan te voeren.
Na ons onderhoud heb ik met client een verdere bespreking gehad en hem in overweging gegeven allereerst te trachten toegang te verkrijgen tot de bestaande grossiers-organisaties. Mochten deze organisaties mijn client als lid toelaten dan neem ik aan, dat Uwerzijds geen bezwaar tegen het verleenen eener standplaats meer zal worden gemaakt. * Kern van het geschil: De brief betreft een weigering van de directeur van de Centrale Markthallen om een standplaats toe te wijzen aan D.R. Lindeman.
* Argumenten van de directeur: De directeur (Van der Laan) erkent de officiële grossiersstatus van Lindeman niet, ondanks zijn erkenning door de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale. Hij vreest bovendien weerstand van de reeds gevestigde, "georganiseerde" grossiers op de markt.
* Verweer van de advocaat: Mr. Van Vugt voert aan dat de status van grossier niet afhangt van de diversiteit van de klantenkring (zelfs verkoop aan familie telt als groothandel). Hij betoogt dat de weigering onrechtvaardig is omdat Lindeman zijn inkomsten verliest aan concurrenten zonder gegronde reden.
* Voorgestelde oplossing: De advocaat adviseert zijn cliënt om zich eerst aan te sluiten bij de bestaande belangenorganisaties van grossiers, in de hoop dat dit de weg vrijmaakt voor een standplaats.
* Toon: Formeel, juridisch zakelijk en vasthoudend. * Tijdsgewricht: De brief is gedateerd op 30 mei 1940, slechts drie weken na de Duitse inval in Nederland. Hoewel de brief strikt zakelijk is en de oorlog niet noemt, vond dit juridische getouwtrek plaats in een periode van enorme maatschappelijke en economische onzekerheid.
* Locatie: De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat (tegenwoordig het Food Center Amsterdam) vormden destijds het hart van de Amsterdamse voedseldistributie. Toegang tot een standplaats was essentieel voor het voortbestaan van een handelsonderneming.
* Economische ordening: Het document illustreert de macht van de directie van gemeentelijke instellingen en de invloed van gevestigde beroepsorganisaties (het "corporatieve" karakter van de handel in die tijd), waarbij nieuwkomers of kleine handelaren soms buiten de deur werden gehouden door beschermingsconstructies van zittende partijen. D.R. Lindeman M.