Ambtelijke notitie / handgeschreven verslag.
Origineel
Ambtelijke notitie / handgeschreven verslag. Augustus 1940. L. Smeer. Blasiusstraat 18. Stad
heeft verklaring geteekend voor het bezitten
van een plaats in de hal voor het kalen-
derjaar 1940 à f 500.- p jaar.
Hij vraagt schriftelijk om ontheffing van
deze verbintenis met ingang van
1 Augustus 1940.
Reden: slechte financieele toestand —
is geheel aan lager wal. — bezit geen
cent meer — naar ik hoor.
Heeft koopmankaart aangevraagd en
standplaats op dagmarkt.
L Smeer heeft per 1 Augustus 1940 —
een schuld wegens plaatsgeld groot f 104.03
welke schuld — na kwijtschelding van
het betalen van plaatsgeld voor de maanden
Aug t/m December 1940 nog verhoogd
moet worden met 7 x 8.33 = f 58.31 (
verschil maand- jaartarief). Totaal dus f
162.34, Met f 2.50 per
week zal Smeer deze schuld afbetalen. Dit document is een interne notitie van waarschijnlijk de Amsterdamse Dienst van het Marktwezen. Het betreft de situatie van de marktkoopman Leo Smeer, die door bittere armoede zijn jaarlijkse verbintenis voor een vaste plek in "de hal" (vermoedelijk de Centrale Markthallen) niet langer kan nakomen. Hij verzoekt om beëindiging van dit contract per 1 augustus 1940 en geeft aan over te willen stappen naar een goedkopere koopmankaart voor een standplaats op een dagmarkt.
De ambtenaar berekent de financiële consequenties van deze wijziging. Hoewel Smeer wordt vrijgesteld van betaling voor de resterende vijf maanden van het jaar, wordt zijn schuld voor de reeds verstreken zeven maanden (januari t/m juli) gecorrigeerd. Omdat hij het jaarcontract voortijdig verbreekt, moet hij voor die maanden het verschil tussen het (voordeligere) jaartarief en het hogere maandtarief bijbetalen ($7 \times 8.33$ gulden). Dit verhoogt zijn totale schuld naar 162,34 gulden, een aanzienlijk bedrag in die tijd. Er wordt een afbetalingsregeling vastgesteld van 2,50 gulden per week. Het document is opgesteld kort na de Duitse inval in mei 1940. De economische ontwrichting was groot, wat direct zichtbaar is in de beschrijving van de situatie van Smeer ("geheel aan lager wal", "bezit geen cent meer"). De Blasiusstraat in de Oosterparkbuurt kende in die tijd veel Joodse bewoners, waaronder de familie Smeer. De zakelijke, bijna kille bureaucratische afhandeling waarbij tariefverschillen tot op de cent worden nagevorderd bij iemand in diepe nood, is kenmerkend voor de ambtelijke mentaliteit van die periode. De genoemde Leo Smeer was een textielkoopman die later in de oorlog, zoals vele andere marktkooplieden uit zijn buurt, gedeporteerd zou worden; hij overleed in 1942 in Mauthausen.