Administratieve aantekening / memo betreffende marktgelden.
Origineel
Administratieve aantekening / memo betreffende marktgelden. Wegens plaatsgeld van een met ingang van
1 Augustus 1940 opgeheven jaarplaats (zie
besluit B. en W. verdere correspondentie) is Smee
nog verschuldigd .. op 29/11 '40 .. f 124.84
Bovendien moet hij nog betalen f 30 ~
wegens plaatsgeld voor een maand-
plaats over de maand november 1940.
Samen f 154.84
Op grond van het feit dat Smee niet langer in
staat zou zijn om als grossier op de centrale markt
zaken te doen, werd hem door B. en W. kwijtschelding
verleend van de resterende termijnen van de jaar-
plaats na 1 augustus 1940. Van Oct 1940 af
komt Smee toch weer als grossier op de markt
nu als maandplaatshouder. M.i. kan niet
verder gegaan worden dan de zeer coulante
afbetalingsregeling (afbetaling der oude schuld met
f 2.00 per week). Ook aan deze regeling houdt Smee
zich niet. Op 29/10 1940 betaalde hij f 2.50 en daarna
pas weer op 26 november 1940. * Financiële status: De totale schuld van de heer Smee bedraagt f 154,84. Dit is opgebouwd uit een oude schuld voor een jaarplaats (f 124,84) en het verschuldigde bedrag voor een huidige maandplaats in november 1940 (f 30,-).
* Probleemstelling: De kern van de notitie is een moreel en administratief bezwaar. Smee kreeg aanvankelijk kwijtschelding omdat hij claimde niet meer als "grossier" (groothandelaar) te kunnen werken. Echter, hij is in oktober 1940 weer opgedoken in precies diezelfde rol, maar dan met een maandplaats in plaats van een jaarplaats.
* Naleving: De ambtenaar merkt op dat Smee zich niet houdt aan de reeds zeer soepele ("coulante") afbetalingsregeling van f 2,00 per week. De betalingen zijn incidenteel en lager dan afgesproken (slechts f 2,50 over een periode van bijna een maand).
* Kenmerken: In de tekst zijn de woorden "als grossier" tweemaal met rood onderstreept, wat duidt op de irritatie van de opsteller over de schijnbare misleiding door de schuldenaar. Dit document stamt uit de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland (1940). De "Centrale Markt" verwijst naar de groothandelsmarkt (waarschijnlijk die in Amsterdam, gezien de terminologie). In deze periode probeerde het gemeentelijk apparaat de administratie en belastinginning voort te zetten onder veranderende economische omstandigheden. Het document illustreert de dagelijkse frictie tussen de overheid en kleine ondernemers die in financiële nood verkeerden of probeerden onder betalingsverplichtingen uit te komen door hun bedrijfsstatus te wijzigen.