Archiefdocument
Origineel
-12-
IV. Op krachtige wyze optreden tegen venters, die voort-
durend in overtreding zyn. Middelen hiertoe zyn:
a) het opmaken van proces-verbaal;
b) het aanhouden van hardnekkige overtreders,
eventueel met in beslagneming van kar en
ventwaar;
c) het overschryven van de ventvergunning naar
een andere wyk;
d) het tydelyk of blyvend intrekken der ventver-
gunning.
V. Tegenover het krachtige optreden bedoeld onder IV
een soepel optreden op minder belangryke punten der
stad en wel op plaatsen waar de venters minder hin-
derlyk zyn. In verschillende stille straten zou men
zelfs zoover kunnen gaan, dat men in het geheel niet
let op het innemen van een clandestiene standplaats.
In deze straten zou dan dus iedere venter stil mogen
staan.
Combinaties van de hierboven onder I tot en met
V aangegeven richtlynen zyn natuurlyk mogelyk.
De heer Gaaikema vraagt wat de Voorzitter bedoelt met het woord:
"clandestiene standplaatsen". Vroeger waren dit alleen
de standplaatsen, waar venters oogluikend door de Over-
heid werden geduld, in afwachting van de in werking
treding der Ventverordening. Sedertdien is deze aange-
legenheid geregeld. Clandestiene standplaatsen in den
door spreker bedoelden zin, waar de venters dus geduld
worden, komen thans niet meer voor.
De Voorzitter antwoordt, dat hier bedoeld wordt, het begrip in veel
ruimeren zin en wel de overtreding van artikel 344a
der Algemeene Politie Verordening. Het is de bedoeling
maatregelen te nemen om die overtreding minder veel-
vuldig te doen voorkomen.
De heer Seegers deelt mede, dat door zyn organisatie een voorstel
ten aanzien van de Jan Evertsenstraat is ingediend (het
instellen van een ventersmarkt uitsluitend voor de ven-
ters uit het desbetreffende rayon); dit voorstel beoogt De tekst beschrijft een tweeledig beleid ten aanzien van straatverkoop: een repressieve aanpak voor hardnekkige overtreders (inbeslagname, intrekken vergunning) en een gedoogbeleid in "stille straten" waar venters weinig overlast veroorzaken.
Er ontstaat een semantische discussie over de term "clandestiene standplaatsen". De heer Gaaikema stelt dat deze term achterhaald is sinds de invoering van de Ventverordening, omdat er sindsdien geen sprake meer zou zijn van officieus gedogen. De Voorzitter verduidelijkt echter dat de term breder moet worden gezien als elke overtreding van artikel 344a van de Algemeene Politie Verordening (APV). De tekst eindigt met een specifiek voorstel van de heer Seegers voor een "ventersmarkt" in de Jan Evertsenstraat om de handel te kanaliseren. Dit document dateert waarschijnlijk uit de vroege tot midden 20e eeuw (gezien de spelling en de typemachine-letter). Het biedt inzicht in de stedelijke ordening van Amsterdam (gezien de verwijzing naar de Jan Evertsenstraat) in een tijd waarin de overheid probeerde de informele straathandel te reguleren door middel van vergunningen en marktplaatsen. Het spanningsveld tussen strikte handhaving van de openbare orde en het bieden van economische ruimte aan kleine handelaren is hierin duidelijk zichtbaar. De "Jan Evert" was en is een belangrijke verkeers- en winkelader, wat de noodzaak voor een specifieke regeling aldaar verklaart.