Getypte brief met handgeschreven kanttekening.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekening. 6 juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam). [Handgeschreven, bovenaan midden:]
Extra
[Getypt, rechtsboven:]
D/G.
[Getypt, linksboven:]
72/66/2 M
[Getypt, rechtsboven onder kenmerk:]
6 Juli 1940.
[Getypt, adresblok:]
den Heer G.W.Bos,
Tuinbouwstraat 118,
Amsterdam-Oost.
Wyk 23A.
[Getypt, inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Juni jl. be-
richt ik U, dat de vernieuwing van Uw ventvergunning voor
het boekjaar 1940/1941 eerst behoeft te geschieden, zoodra
U weder in staat is het beroep van venter uit te oefenen.
Het verschuldigde ventgeld voor het boekjaar, loopende van
1 Juni 1940 tot en met 31 Mei 1941, bedraagt ƒ 4,-, verhoogd
met ƒ 1,- legeskosten, welk bedrag ook verschuldigd is, in-
dien van de vergunning niet gedurende het volle boekjaar
gebruik kan worden gemaakt.
[Getypt, ondertekening:]
De Directeur, Deze brief is een officiële mededeling aan de heer G.W. Bos betreffende zijn ventvergunning voor het boekjaar 1940/1941. De kernpunten zijn:
1. Uitstel van vernieuwing: De heer Bos hoeft zijn vergunning pas te vernieuwen op het moment dat hij daadwerkelijk weer in staat is zijn beroep als venter uit te oefenen. Dit impliceert dat hij op dat moment, kort na het begin van de bezetting, wellicht door persoonlijke of externe omstandigheden zijn werk niet kon doen.
2. Kosten: De totale kosten bedragen 5 gulden (4 gulden voor het ventgeld en 1 gulden aan legeskosten).
3. Betalingsverplichting: De directie benadrukt dat het volledige bedrag verschuldigd blijft, ook als de vergunning niet het gehele jaar gebruikt wordt. De brief is gedateerd op 6 juli 1940, minder dan twee maanden na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. In deze periode liep de gemeentelijke administratie in steden als Amsterdam door, hoewel de omstandigheden voor kleine zelfstandigen zoals "venters" (straatverkopers) onzeker waren door de oorlogssituatie en de beginnende bezettingsmaatregelen.
Het adres Tuinbouwstraat 118 bevindt zich in Betondorp (Amsterdam-Oost), een wijk die in de jaren '20 werd gebouwd. Venten was in die tijd een veelvoorkomend beroep voor mensen uit de arbeidersklasse om in hun levensonderhoud te voorzien. De formele toon van de brief onderstreept de strikte regelgeving rondom deze vergunningen, zelfs in tijden van crisis.
Samenvatting
Deze brief is een officiële mededeling aan de heer G.W. Bos betreffende zijn ventvergunning voor het boekjaar 1940/1941. De kernpunten zijn:
1. Uitstel van vernieuwing: De heer Bos hoeft zijn vergunning pas te vernieuwen op het moment dat hij daadwerkelijk weer in staat is zijn beroep als venter uit te oefenen. Dit impliceert dat hij op dat moment, kort na het begin van de bezetting, wellicht door persoonlijke of externe omstandigheden zijn werk niet kon doen.
2. Kosten: De totale kosten bedragen 5 gulden (4 gulden voor het ventgeld en 1 gulden aan legeskosten).
3. Betalingsverplichting: De directie benadrukt dat het volledige bedrag verschuldigd blijft, ook als de vergunning niet het gehele jaar gebruikt wordt.
Historische Context
De brief is gedateerd op 6 juli 1940, minder dan twee maanden na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. In deze periode liep de gemeentelijke administratie in steden als Amsterdam door, hoewel de omstandigheden voor kleine zelfstandigen zoals "venters" (straatverkopers) onzeker waren door de oorlogssituatie en de beginnende bezettingsmaatregelen.
Het adres Tuinbouwstraat 118 bevindt zich in Betondorp (Amsterdam-Oost), een wijk die in de jaren '20 werd gebouwd. Venten was in die tijd een veelvoorkomend beroep voor mensen uit de arbeidersklasse om in hun levensonderhoud te voorzien. De formele toon van de brief onderstreept de strikte regelgeving rondom deze vergunningen, zelfs in tijden van crisis.