Getypte brief met handgeschreven aantekening.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven aantekening. 23 juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam, gezien de inhoud). De Heer Markt- en Havenmeester van de Gemeente Zwolle. 72/74/2 M VP/G.
Verzonden 23/7 [handgeschreven]
23 Juli 1940.
den Heer Markt- en Havenmeester
van de Gemeente Zwolle,
Klein Weezenland 3,
Z w o l l e.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 11 dezer (No.1718)
heb ik de eer U te berichten, dat krachtens de hier ter stede
geldende Ventverordening voor het verkrijgen van een ventver-
gunning alleen in aanmerking komen personen, die een desbe-
treffende aanvrage tydig, dat wil zeggen vóór 1 Januari 1935
hebben ingediend, en die bereids omstreeks September 1933 van
het venten hier ter stede hun beroep maakten. Een onderscheid
tusschen Amsterdamsche en niet-Amsterdamsche kooplieden wordt
niet gemaakt.
Op de markten hier ter stede wordt aan een ieder, voor
zoover plaats beschikbaar is, plaats verleend.
Aan bloemenventers wordt gedurende de wintermaanden,
voor zoover zy daaraan behoefte hebben, bysteun verleend. De
venters, die bysteun ontvangen, mogen echter niet buiten de
Gemeente Amsterdam venten. Myn ambtgenoot voor den Maatschap-
pelyken Steun zal het op prys stellen, indien hem Uwerzyds de
namen en adressen van Amsterdammers worden meegedeeld, die te
Zwolle ventende of op de markten worden aangetroffen.
De Directeur, Deze ambtelijke correspondentie werpt licht op de strikte regelgeving rondom straathandel (venten) in de jaren '30 en '40. De Amsterdamse administratie legt uit dat nieuwe ventvergunningen in de praktijk niet meer werden afgegeven: men moest al vóór 1935 hebben aangevraagd en sinds 1933 het beroep hebben uitgeoefend. Dit wijst op een gesloten marktbeleid om het aantal straatverkopers te beperken.
Interessant is de passage over de "bysteun" (sociale steun) voor bloemenventers in de winter. Er is sprake van een expliciet verbod voor deze steuntrekkers om buiten hun eigen gemeente (Amsterdam) te werken. De vraag aan de marktmeester in Zwolle om namen van Amsterdamse venters door te geven, getuigt van een actieve controle op uitkeringsgerechtigden en een intergemeentelijke samenwerking om fraude of ongeoorloofde neveninkomsten buiten de stadsgrenzen op te sporen. Het document dateert van 23 juli 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratief karakter heeft en de oorlog niet direct noemt, past de nadruk op controle, vergunningen en de handhaving van sociale steunregels in het tijdsbeeld van een bureaucratie die, ondanks de bezetting, in eerste instantie op de oude voet doorging. De economische druk van die tijd maakte de regulering van kleine zelfstandigen zoals venters tot een belangrijk punt van lokaal beleid. De brief illustreert hoe gemeenten informatie uitwisselden om de mobiliteit van arme bevolkingsgroepen en hun bronnen van inkomsten te monitoren.