Handgeschreven proces-verbaal/rapport van de politie.
Origineel
Handgeschreven proces-verbaal/rapport van de politie. 16 december 1940 (afgeleid van het stempel "M. 1940 16/12"). Nº 72/99/ M. 1940 16/12
Rapport.
In opdracht van U. Edelachtbare Heer Inspecteur, hedenmiddag v. 1 t/m ruim 4 uur de v. Baerlestraat en omgeving voortdurend gecontroleerd. In de v. Baerlestraat trof ik aan de volgende venters:
* Albertus Christiaan Meyer geb: 23. 1. 1903.
* Franciscus Antonius v. Teeseling " 29. 7. 1903.
* Willem Swart " 4. 1. 1905.
* Davis Deheling " 26. 4. 1903.
Deze menschen zijn weer door mij nadrukkelijk gewaarschuwd, niet stil te blijven staan, daar ik anders hun zou verbaliseeren. Ik heb daarna op mijn volgende ~~rondes~~ ronde's, hun steeds rijdende aangetroffen.
Ook trof ik daar later op den dag aan:
Franciscus Christiaan Meyer, geb: 24 Juni 1901 wonende Ferd. Bolstraat 16 hs. bij zich hebbende een mand met bloemen. Ook deze persoon heb ik (hem standpl. innemend aangetroffen) nadrukkelijk gewaarschuwd, niet te blijven staan. Hij antwoordde mij daarop het volgende: "Ik zal wel weer eens naar de Ortscommandant gaan, de Joden zijn nu weg, ik zal wel zorgen dat hun aanhang ook verdwijnt". Ik heb hem gezegd, U dit te zullen rapporteeren.
Tevens trof ik aan in de Cornelis Schuytstraat de
--- Dit document is een ambtelijk verslag van een politieagent die toezicht hield op straatventers in Amsterdam-Zuid in de eerste winter van de Duitse bezetting. De kern van het rapport is tweeledig:
1. Handhaving van straatverordeningen: De agent controleert of venters zich houden aan het verbod om stil te staan met hun karren of manden. Dit was een gebruikelijke methode om de openbare orde te handhaven en 'overlast' van straathandel te beperken.
2. Politieke en antisemitische dreiging: Het meest opmerkelijke deel is de verklaring van de bloemenverkoper Franciscus Christiaan Meyer. Wanneer hij wordt aangesproken op zijn gedrag, dreigt hij de agent met een bezoek aan de Ortscommandant (de Duitse plaatselijke bevelhebber). Zijn uitspraak "de Joden zijn nu weg, ik zal wel zorgen dat hun aanhang ook verdwijnt" duidt op een pro-Duitse of collaborerende houding en een actieve haat jegens Joden en hun vermeende sympathisanten. De agent ziet zich genoodzaakt deze politiek geladen dreiging specifiek te rapporteren aan zijn superieur.
--- Het rapport dateert van december 1940, ruim zeven maanden na de Duitse inval in Nederland. In deze periode begon de bezetter steeds meer grip te krijgen op het dagelijks leven en werden de eerste antisemitische maatregelen zichtbaar (zoals de ariërverklaring voor ambtenaren in oktober 1940).
De vermelding van de Ortscommandant is veelzeggend; burgers die zich verbonden voelden met de nieuwe orde gebruikten de Duitse autoriteiten vaak als dreigement tegenover de Nederlandse politie om hun eigen zin door te drijven of om 'onwelgevallige' burgers aan te geven. De opmerking dat "de Joden nu weg zijn" in de context van Amsterdam-Zuid (een wijk met destijds een aanzienlijke Joodse populatie) is cruciaal; hoewel de grote deportaties toen nog niet waren begonnen, waren Joden al uit veel openbare functies en parken geweerd, en heerste er een sfeer van intimidatie. Dit document biedt een zeldzame, directe inkijk in hoe antisemitische sentimenten en de dreiging van collaboratie doorsijpelden in triviale straatcontroles. U. Edelachtbare Politie