Officieel politierapport / interne rapportage van de Centrale Markt Amsterdam.
Origineel
Officieel politierapport / interne rapportage van de Centrale Markt Amsterdam. 15 oktober 1940. No 77/47½ M. 1940 18/10
R A P P O R T
Op 11 October 1940 wred mij, ondergeteekende, controleur Schiermeier, door den Expediteur L. Springer, medegedeeld, dat op 10 October 1940, op het terrein van de Centrale Markt van hem vier ledige "Beemster" kisten waren gestolen. Bij onderzoek is gebleken, dat deze kisten op 10 October waren ingeleverd bij den grossier C. Kooy, pakhuis E.16. Op aanwijzing van Springer en Kooy heb ik op 11 October op het marktterrein staande gehouden Anthonius Hendrikus Ernst, oud 18 jaar, zonder beroep en wonende Govert Flinckstraat 158 alhier en Jesaia Hangjas, oud 18 jaar, personeel bij zijn vader, kooper Hangjas, wonende Rapenburgerstraat 16 alhier. Ernst verklaarde mij desgevraagd, dat hij van het geval met de vier kisten niets afwist, doch dat hij voorheen van Hangjas wel geld had ontvangen, waarvan hij wist, dat dit van, door diefstal verkregen kisten, afkomstig was.
Hangjas bekende op 10 October 1940 op de Centrale Markt vier Beemster kisten te hebben gestolen, samen met een zekeren L. Tuin, en deze te hebben ingeleverd bij grossier C. Kooy. Het geld dat hij hiervoor had ontvangen, zijn de F 2.40 heeft hij met Tuin gedeeld. Tuin bevond zich niet op de Centrale Markt en is door mij niet verhoord.
Bij Kooy heb ik, rapporteur, vier "Beemster" kisten in beslag genomen. Dit zouden volgens Kooy denzelfden zijn die Hangjas bij hem had in geleverd, terwijl zij ook door Springer, als de door hem vermiste kisten werden herkend. Ik heb Ernst en Hangjas overgebracht naar het Bureau van Politie aan de Adm: de Ruyterweg en zal deze zaak door de Politie verder worden ter hand genomen. Ook de besproken kisten heb ik aan genoemd Bureau van Politie gedeponeerd. Voorts heb ik proces-verbaal opgemaakt terzake aanhouding van beide laatstgenoemde personen.
Anthonius Hendrikus Ernst, Govert Flinckstraat 158 (niet in bezit van legitimatiekaart).
Jesaia Hangjas, Rapenburgerstraat 16 (in bezit van personeelkaart)
L.J.N. Tuin, Alb. Cuypstraat 122, (in bezit van personeelkaart)
Volgens Bureau Admiraal de Ruyterweg heeft ook L. Tuin verklaard by verhoor door den rechercheur Jongejans zich aan bovengenoemde diefstal te hebben schuldig gemaakt.
Amsterdam, 15 October 1940.
De Controleur,
[Handtekening Schiermeier]
Den Weledl. Heer
Bedryfschef.
[Handtekening]
(Handgeschreven aantekeningen in de kantlijn en onderaan:)
* Links: PV. W.S. 14 oct 40...
* Midden: 77/47/3 m.i.v. Maandag 21 october 1940
* Rechtsonder: 18/10/40 * Incident: Het document doet verslag van een kleine diefstal van emballage (vier houten kisten van het merk "Beemster") op de Centrale Markt in Amsterdam. De waarde van de kisten was f 2,40.
* Betrokkenen: Drie jongemannen van ongeveer 18 jaar oud. Jesaia Hangjas en L. Tuin bekennen de diefstal. Anthonius Ernst ontkent directe betrokkenheid bij deze diefstal, maar geeft toe eerder geld te hebben aangenomen uit de opbrengst van gestolen goederen.
* Procedure: De marktcontroleur treedt hier op als opsporingsambtenaar. Hij houdt de verdachten staande, neemt de goederen in beslag en draagt de verdachten over aan het politiebureau aan de Admiraal de Ruyterweg.
* Identificatie: Opvallend is de vermelding van het wel of niet bezitten van een "legitimatiekaart" of "personeelkaart". Dit wijst op de toenemende controle op de bevolking tijdens de bezetting.
* Typografie: In de eerste regel staat een typefout: "wred" in plaats van "werd". Dit rapport is opgesteld in oktober 1940, slechts vijf maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De maatschappij functioneerde op dat moment nog grotendeels volgens de bestaande Nederlandse administratieve structuren, maar de invloed van de bezetter werd zichtbaar in de verscherpte registratie.
De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Vanwege de voedselschaarste en distributie die later in de oorlog zouden volgen, was de beveiliging en controle op de markt van groot belang.
Jesaia Hangjas woonde in de Rapenburgerstraat, midden in de oude Joodse buurt van Amsterdam. Voor Joodse inwoners van de stad was oktober 1940 een onheilspellende tijd; de eerste anti-Joodse maatregelen (zoals de ariërverklaring voor ambtenaren) werden in deze periode ingevoerd. Een officieel politierapport waarin een Joodse jongeman wordt genoemd, kon in die context verstrekkende gevolgen hebben, aangezien de administratie van de politie en markt later door de bezetter kon worden gebruikt voor deportaties.