Ambtelijke brief / voordracht.
Origineel
Ambtelijke brief / voordracht. 9 Augustus 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen/Markten). M. Müller
VP/HG.
85/37/4 M.
9 Augustus 1940.
Intrekking vergunning tot het
plaatsen van kramen ten name
van L.M. Geerling.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat L.M. Geer-
ling, Albert Cuypstraat 143, wien bij beschikking van Burge-
meester en Wethouders d.d. 29 November 1938 (onder No. 811
L.M. 1938) vergunning is verleend tot het op een anderen dan
voor de markt bestemden tijd kramen opzetten op de markt
Albert Cuypstraat, sedert hem deze vergunning is verleend in
gebreke is gebleven om behoorlijk op tijd het terzake ver-
schuldigde kramengeld te voldoen. Met groote moeite en her-
haalde waarschuwingen is bereikt, dat Geerling op ongezette
tijden — en dus niet op den dag volgende op dien, waarop,
krachtens artikel 34 van de Verordening op de heffing van
markt-, standplaats- en ventgelden, de belasting werd ver-
schuldigd — van zijn schuld afbetaalde. De bedoelde schuld
bedraagt thans ƒ 28,64. Terzake werd met Geerling op 24 Juli
1940 afgesproken, dat hij iederen Maandag, met ingang van
29 Juli 1940 ƒ 5,— zou afbetalen. Deze afspraak is hij
slechts één maal nagekomen, terwijl hij andermaal verzuimde
om het inmiddels verschuldigde kramengeld te betalen. Bij de
vorenbedoelde afspraak werd hem uitdrukkelijk meegedeeld, dat
zou worden voorgesteld om de hem verleende vergunning in te
trekken, indien hij deze afspraak andermaal niet zou nakomen.
Ik geef U thans beleefd in overweging, dat tot deze
intrekking bij besluit van Burgemeester en Wethouders wordt
overgegaan.
De Directeur, * Inhoud: De brief is een formeel verzoek van de Directeur van een gemeentelijke dienst aan de betreffende wethouder om een specifieke marktvergunning in te trekken. De reden hiervoor is een aanzienlijke betalingsachterstand van de heer L.M. Geerling (wonende aan de Albert Cuypstraat 143).
* Juridische basis: Er wordt verwezen naar een eerdere beschikking uit 1938 en specifiek naar "artikel 34 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden".
* Procedure: Ondanks een getroffen betalingsregeling van ƒ 5,00 per week om een schuld van ƒ 28,64 in te lopen, bleef de betrokkene in gebreke. Dit leidde tot de escalatie naar het College van Burgemeester en Wethouders.
* Taalgebruik: Het document hanteert de voor die tijd gebruikelijke uiterst beleefde en formele ambtelijke stijl ("heb ik de eer U te berichten", "geef U thans beleefd in overweging"). * Tijdsbeeld: De brief dateert van augustus 1940, slechts enkele maanden na de start van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezetting al een feit was, draaide de civiele bureaucratie van Amsterdam op dat moment nog grotendeels op de vooroorlogse wijze door.
* Lokale Context: De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van Amsterdam. Het beheer van kramen en de inning van gelden was strikt gereguleerd.
* Sociaal-economisch: De vordering van ƒ 28,64 lijkt naar moderne maatstaven klein, maar was in 1940 een aanzienlijk bedrag voor een kleine handelaar. Dat er voor een dergelijk bedrag een officiële voordracht tot intrekking van de vergunning werd gedaan, getuigt van de strikte handhaving van de marktverordeningen. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" had in oorlogstijd een cruciale rol vanwege de beginnende schaarste en distributie.