Archief 745
Inventaris 745-339
Pagina 35
Dossier 27
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

24 december 1940 Van: De Directeur (waarschijnlijk van de Afdeling Marktwezen of een verwante gemeentelijke dienst in Amsterdam) Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam)

Origineel

24 december 1940 De Directeur (waarschijnlijk van de Afdeling Marktwezen of een verwante gemeentelijke dienst in Amsterdam) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam) [Rechtsboven handgeschreven:] M. Rijthof

[Getypte tekst:]
D/HG.

85/64/3 N.

24 December 1940.

Intrekking vergunning tot het
plaatsen van kramen ten name
van J.Brand.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat J.Brand, 1e Anjeliersdwarsstraat 7 I, die bij beschikking van Burgemeester en Wethouders d.d. 29 November 1938 (onder No. 811 L.M. 1938) vergunning is verleend tot het op een anderen dan voor de markt bestemden tijd kramen opzetten op de markten Westerstraat, Noordermarkt, Lindengracht en Mosplein, sedert hem deze vergunning is verleend in gebreke is gebleven om behoorlijk op tijd het terzake verschuldigde kramengeld te voldoen. Met groote moeite en herhaalde waarschuwingen is bereikt, dat Brand op ongezette tijden – en dus niet op den dag, volgende op dien, waarop, krachtens artikel 34 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, de belasting werd verschuldigd – van zijn schuld afbetaalde. De bedoelde schuld bedraagt thans ƒ 27,13. Terzake werden met Brand herhaaldelijk afbetalingsregelingen getroffen, welke hij echter zoo goed als nooit nakwam. Ik heb hem tenslotte op 18 December jl. te mijnen kantore ontboden om voor de laatste maal een regeling te treffen. Aan de betreffende oproeping heeft hij echter geen gevolg gegeven.

Ik geef U thans beleefd in overweging, dat tot intrekking van de hem verleende vergunning bij besluit van Burgemeester en Wethouders wordt overgegaan.

De Directeur, Dit document is een formele ambtelijke voordracht aan de Amsterdamse wethouder voor de Levensmiddelen. De strekking is het intrekken van een specifieke marktvergunning van de heer J. Brand, woonachtig in de Jordaan (1e Anjeliersdwarsstraat). De reden voor deze ingrijpende maatregel is van financiële aard: Brand heeft een structurele achterstand in het betalen van het 'kramengeld' (marktgelden).

De tekst schetst een beeld van een moeizaam incassotraject waarbij Brand herhaaldelijk afspraken schond en uiteindelijk zelfs een officiële oproeping negeerde. De openstaande schuld bedraagt op dat moment 27,13 gulden. De directeur concludeert dat verdere coulance niet zinvol is en adviseert de vergunning officieel te beëindigen. Het document stamt uit december 1940, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de bezetting bleven de gemeentelijke bureaucratie en de handhaving van lokale verordeningen, zoals die voor de markten (Westerstraat, Noordermarkt, Lindengracht en Mosplein), grotendeels ongewijzigd doorfunctioneren.

De economische druk op kleine handelaren nam in deze periode toe door de invoering van distributie en rantsoenering. De genoemde markten bevonden zich in volksbuurten waar armoede in de oorlogsjaren snel toenam. Een schuld van 27,13 gulden was voor een kleine marktkoopman in 1940 een substantieel bedrag (vergelijkbaar met ongeveer 200 tot 250 euro aan huidige koopkracht), wat duidt op de precaire financiële positie van de betrokkene. De rol van de 'Wethouder voor de Levensmiddelen' was in deze periode cruciaal voor de voedselvoorziening in de stad.

Samenvatting

Dit document is een formele ambtelijke voordracht aan de Amsterdamse wethouder voor de Levensmiddelen. De strekking is het intrekken van een specifieke marktvergunning van de heer J. Brand, woonachtig in de Jordaan (1e Anjeliersdwarsstraat). De reden voor deze ingrijpende maatregel is van financiële aard: Brand heeft een structurele achterstand in het betalen van het 'kramengeld' (marktgelden).

De tekst schetst een beeld van een moeizaam incassotraject waarbij Brand herhaaldelijk afspraken schond en uiteindelijk zelfs een officiële oproeping negeerde. De openstaande schuld bedraagt op dat moment 27,13 gulden. De directeur concludeert dat verdere coulance niet zinvol is en adviseert de vergunning officieel te beëindigen.

Historische Context

Het document stamt uit december 1940, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de bezetting bleven de gemeentelijke bureaucratie en de handhaving van lokale verordeningen, zoals die voor de markten (Westerstraat, Noordermarkt, Lindengracht en Mosplein), grotendeels ongewijzigd doorfunctioneren.

De economische druk op kleine handelaren nam in deze periode toe door de invoering van distributie en rantsoenering. De genoemde markten bevonden zich in volksbuurten waar armoede in de oorlogsjaren snel toenam. Een schuld van 27,13 gulden was voor een kleine marktkoopman in 1940 een substantieel bedrag (vergelijkbaar met ongeveer 200 tot 250 euro aan huidige koopkracht), wat duidt op de precaire financiële positie van de betrokkene. De rol van de 'Wethouder voor de Levensmiddelen' was in deze periode cruciaal voor de voedselvoorziening in de stad.

Kooplieden in dit dossier 40

A.J. Roger Waterlooplein
A. Jansen Waterlooplein
A. Jansen Uilenburg
A. Jansen Waterlooplein
J. Rogers Uilenburg
D. Dubbeldijk Waterlooplein
A. Costan Waterlooplein
G. Meijers Uilenburg
J. Brand Uilenburg
J. Brand Waterlooplein [dubbele rode onderstreping]
J. Gleysman Waterlooplein **afgedaan** [dubbele rode onderstreping]
J.A.L. Jongbloed Waterlooplein
J. Mayenet Waterlooplein
J.G. Bosbaan Jr. Uilenburg
J.P. Raben Waterlooplein
J. Schilris Waterlooplein
M. Schelvis Waterlooplein
M. Schilris Waterlooplein
Alle 40 kooplieden →