Brief op officieel briefpapier.
Origineel
Brief op officieel briefpapier. 31 januari 1934. Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam. Den Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. [Briefhoofd met logo van de Kamer van Koophandel Amsterdam]
KAMER VAN KOOPHANDEL EN
FABRIEKEN VOOR AMSTERDAM
No 221 M. 1934 1/2
UW SCHRIJVEN :
BIJ ANTWOORD VERMELDEN: S. 664
AMSTERDAM (C), 31 Januari 19 34
BEURSGEBOUW, DAMRAK
TEL. 49396, 31745 EN 32050
ONDERWERP: Automarkt
[Handgeschreven:] ni diend / hr. Sixima
In onze Kamer kwam ter sprake het vraagstuk der "automarkten".
Daarbij werd eenerzijds betoogd:
1° dat de tegenwoordige toestand, waarbij op automarkten aangevoerde motorrijtuigen niet aan toezicht onderworpen zijn, tot bedrog van koopers, gevaar voor de verkeersveiligheid, enz. leidt;
2° dat daar, waar de gemeenten terrein voor automarkten beschikbaar stellen, op haar de plicht rust voor deskundig toezicht zorg te dragen;
3° dat zoodanig toezicht zeer wel op eenvoudige wijze kan worden uitgeoefend en toch een bevredigenden waarborg kan opleveren;
4° dat een automarkt ook voor den bona fide autohandel van beteekenis is, doordat deze daardoor over een middel beschikt om b.v. gebruikte wagens, die bezwaarlijk in de eigen zaak kunnen worden verhandeld, ten verkoop aan te bieden;
5° dat, overheidstoezicht vooropgesteld, er alle aanleiding is te overwegen, op welke wijze te Amsterdam een automarkt tot ontwikkeling zou kunnen worden gebracht, mede met het oog op de algemene plaatselijke belangen, die o.m. door het trekken van verkoopers en koopers van elders daardoor gediend zouden zijn.
Hiertegenover werd erop gewezen, dat een toezicht op de op automarkten aangevoerde voertuigen nooit afdoenden waarborg kan bieden tegen het bestaan van, slechts na diepgaand onderzoek, blijkende fouten. Uit dit oogpunt werd gevreesd, dat toezicht juist de waakzaamheid van de koopers zou doen verslappen en dus tot nog grooter teleurstelling zal leiden.
Bij
AAN
den Heer Directeur van het Marktwezen
Tweede Hugo de Grootstraat 41
A M S T E R D A M (W)
- A. 17-2-'33. 5000 Deze brief vormt een overlegdocument tussen de Kamer van Koophandel en het Amsterdamse bureau voor Marktwezen over de wenselijkheid van een gereguleerde automarkt. In 1934 was de tweedehands autohandel blijkbaar nog een "wild west" fenomeen zonder toezicht.
De brief is gestructureerd als een weging van argumenten:
* Voorstanders van regulering benadrukken de consumentenbescherming, verkeersveiligheid en de economische impuls voor de stad. Ze zien een actieve rol voor de gemeente als facilitator en toezichthouder. Ook de erkende autohandel wordt als belanghebbende genoemd voor het lozen van inruilwagens.
* Tegenstanders van toezicht uiten een sceptisch geluid dat vandaag de dag nog steeds actueel is in discussies over consumentenrecht: ze vrezen dat overheidstoezicht een schijnveiligheid biedt ("waakzaamheid doen verslappen"), omdat een snelle inspectie nooit verborgen technische gebreken kan uitsluiten.
De taal is formeel ambtelijk Nederlands uit het interbellum, gekenmerkt door de spelling met dubbele klinkers in gesloten lettergrepen (koopers, eenerzijds). In de jaren '30 nam het autobezit in Nederland toe, ondanks de economische crisis. Dit creëerde een groeiende markt voor gebruikte voertuigen. De discussie in deze brief past in een bredere maatschappelijke trend van die tijd: de overgang van een ongebreidelde vrije markt naar een meer gereguleerde economie waarin de overheid verantwoordelijkheid neemt voor veiligheidsstandaarden en eerlijke handel.
Het adres van de ontvanger, de Tweede Hugo de Grootstraat 41, was destijds de locatie van de Centrale Markthallen, de plek waar het Amsterdamse Marktwezen was gevestigd en waar ook fysiek ruimte was voor dergelijke grote markten. De handgeschreven krabbel rechtsboven verwijst vermoedelijk naar de ambtenaar die het stuk in behandeling nam.