Ambtelijke brief/adviesnota.
Origineel
Ambtelijke brief/adviesnota. 20 maart 1939. Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun, Amsterdam (gevestigd aan de Reguliersdwarsstraat 65-71). Model No. 408
No. 268 M.S. 1939 21/3 No. 152 L.M. 1939 23/3
GEMEENTELIJK BUREAU VOOR
MAATSCHAPPELIJK EN STEUN
J/LH
AMSTERDAM, 20 Maart 1939.
Gelieve bij beantwoording aan te halen: Reguliersdwarsstraat 65–71
Afd. C. No. 258
BIJLAGEN: 2
Aan den heer Wethouder voor den
Maatschappelijken Steun,
Raadhuis,
A l h i e r (C).
Naar aanleiding van het schrijven van den Directeur van het Marktwezen d.d. 1 Februari 1939 begeleidend een lijst van kooplieden, die ingevolge artikel 11 c van het reglement op de markten hun plaats op de markten verliezen, welke stukken mij om advies zijn toegezonden bij Uw apostille No. 268 M.S. 1939 van 17 Februari j.l. heb ik de eer U het volgende te berichten.
D. de Rijke. Tegen het intrekken van de standplaatsvergunning van dezen man bestaat m.i. geen bezwaar.
Ph. Papegaai. Tegen intrekking van de standplaatsvergunning van dezen man bestaat m.i. geen bezwaar. De man gaat weer venten.
J. Schrijver. In dit geval komt het mij gewenscht voor, de intrekking voorloopig nog ongeveer een half jaar uit te stellen, daar de dan inmiddels van school gekomen 18 jarige zoon werk kan hebben; het zal dan voor het gezin minder moeilijk zijn een bestaan in den handel te vinden.
I. Stibbe. Hier moge ik U adviseeren, de vergunning niet te doen intrekken. De man is marktkoopman van beroep en heeft als zoodanig vele jaren in het gezinsonderhoud kunnen voor- Dit document is een ambtelijk advies van het Amsterdamse Bureau voor Maatschappelijke Steun aan de verantwoordelijke wethouder. De kern van de zaak is de voorgenomen intrekking van marktvergunningen door de Directeur van het Marktwezen, gebaseerd op artikel 11c van het marktreglement (waarschijnlijk wegens het niet persoonlijk bezetten van de kraam of onvoldoende omzet).
De brief illustreert hoe de sociale dienst destijds een toetsende rol had: er werd gekeken naar de menselijke en financiële gevolgen van administratieve beslissingen.
* Bij De Rijke en Papegaai ziet men geen problemen; Papegaai heeft een alternatief (venten).
* Bij Schrijver wordt gepleit voor uitstel op basis van gezinssituatie (toekomstig inkomen van de zoon).
* Bij Stibbe wordt een negatief advies gegeven over de intrekking; hij wordt beschouwd als een vakman die al jarenlang zijn gezin onderhoudt met dit beroep.
In de linkermarge staat een handgeschreven paraaf of aantekening die onleesbaar is, maar waarschijnlijk van een behandelend ambtenaar of de directeur van de dienst is. Het document dateert van maart 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode van economische broosheid na de Grote Depressie was een marktvergunning van cruciaal belang voor het overleven van veel Amsterdamse gezinnen.
Opvallend zijn de familienamen (Papegaai, Schrijver, Stibbe), die veel voorkwamen binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam, die sterk vertegenwoordigd was in de markthandel. Dit type correspondentie geeft een indruk van de bureaucratische processen waarmee kleine zelfstandigen te maken hadden vlak voordat de oorlog hun levens en rechten drastisch zou inperken. De taal is formeel-ambtelijk ("heb ik de eer U", "m.i.", "zoodanig"), typerend voor de vooroorlogse Nederlandse administratie.