Notulen/verslag van een vergadering betreffende de levensmiddelenvoorziening.
Origineel
Notulen/verslag van een vergadering betreffende de levensmiddelenvoorziening. nog gekocht (Lindeman en Booyen tezamen reeds 450 vaten). De handel acht het onaannemelyk, dat de winkeliers deze voorraad vatgroenten zal verkoopen aan andere steden. De volgende voorzichtige opstelling wordt daarna gemaakt van de geschatte voorraad vatgroenten (zonder zuurkool) in Amsterdam: geschat 800 winkeliers tegen gemiddeld 8 vaten = 6500 vaten. Aan zuurkool wordt de voorraad by de winkeliers geschat op 1000 vaten; tezamen dus 7500 vaten. Er is reeds voor de Gemeente gereserveerd: 1100 vaten. In totaal 8600 vaten. Hieruit kan worden geconcludeerd, dat nog 1400 vaten moeten worden gereserveerd, om te komen tot het totaal aantal van 10.000 vaten, hetgeen voor de consumptie van Amsterdam voor het winterseizoen benoodigd is.
De heer Wynschenk wyst erop, dat daarby dan nog zeer waarschynlyk komen de 4000 zuurkool, welke regelmatig in het winterseizoen na 1 Januari voor den groothandel wordt afgenomen. Het is spreker bekend, dat 85% van deze zuurkool reeds by de fabrieken aanwezig is. De positie is, wat dat betreft, dus zeker niet ongunstig. Daar staat echter tegenover dat er natuurlyk beslag kan worden gelegd door de bezettende macht.
Vervolgens wordt gesproken over het systeem om de 1100 vaten die reeds aanwezig zyn op te voeren tot 2500 vaten groente. De handel stelt hierby voor 1400 vaten voor rekening van de Gemeente aan te koopen. Van deze 1400 vaten zyn thans reeds by den handel aanwezig: 900 vaten.
De Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening acht het niet gewenscht, dat de Gemeente deze aankoopen voor haar rekening neemt. Ieder neutraal gemeenteambtenaar zal moeten erkennen, dat het door de Gemeente Amsterdam gevolgde systeem fraaier en doelmatiger is, dan het systeem, dat de andere steden hebben gevolgd.
De heer Van Bladeren zegt, dat de handel nog meer vatgroenten voor de Gemeente zou kunnen reserveeren zonder dat de Gemeente behoeft aan te koopen, indien de Gemeente de garantie geeft, dat zy einde April de onverkochte vaten van den handel zal afnemen, tegen pryzen, welke thans dienen te worden vastgesteld.
De Directeur van het Marktwezen zegt, dat het voorstel van den heer Van Bladeren zyns inziens aan te bevelen is. De zaak dient echter zoo geregeld te worden, dat zooveel mogelyk gezorgd wordt dat alle vaten einde April zyn verkocht.
De Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening zou hiermede accoord kunnen gaan, indien daarby zal worden bepaald, dat de Gemeente zeggenschap zal hebben, by het bepalen van de tydstippen, waarop de vatgroenten zullen moeten worden opgeruimd. De verkoop zal verder op de normale wyze voor de Amsterdamsche groentenwinkeliers plaatsvinden. Na ampele discussie wordt tenslotte in principe besloten, dat het contract met den handel voor de eventueele vorstperiode (tot 1 Februari 1941, uiterlyk 15 Februari 1941) van kracht blyft.
Op een desbetreffend vraag deelt
de heer Dykstra mede, dat het ten aanzien van het artikel kool beter is de positie per 1 Januari a.s. onder het oog te zien, omdat eerst dan het eigenlyke koolseizoen begint.
Vervolgens wordt het resultaat der besprekingen nader samengevat. Deze samenvatting zal door de vertegenwoordigers van de deelnemers met dezen worden besproken om aan de hand daarvan de kosten te kunnen opgeven.
De samenvatting luidt aldus:
Opslag van vatgroenten.
Het contract met den handel voor eventueele vorstperiode (tot 1 Februari 1941, uiterlyk 15 Februari 1941) blyft van kracht; de 1100 vaten vatgroenten, welke daarin zyn opgenomen, blyven dus tot bovengenoemden datum geblokkeerd en mogen slechts verkocht worden, indien de Gemeente daartoe opdracht geeft.
Daarnaast zal door den handel met ingang van een nader te bepalen datum worden ingebracht en worden opgeslagen op de Centrale Markt: 1400 vaten vatgroenten.
Deze vaten zullen uiterlyk tot 1 Mei 1941 op de Centrale Markt moeten zyn opgeslagen met dien verstande, dat de Gemeente na 1 Januari 1941 in onderling overleg met den handel zal bepalen, op welke tydstippen en in welke hoeveelheden deze vaten mogen Dit document geeft een gedetailleerd inkijkje in de logistieke planning van de voedselvoorziening in Amsterdam tijdens het eerste jaar van de Duitse bezetting. De kern van het verslag draait om het waarborgen van een strategische voorraad "vatgroenten" (voornamelijk zuurkool en gezouten/geconserveerde kool) om de winterperiode te overbruggen.
Enkele opvallende punten uit de analyse:
1. Kwantificering van noodzaak: De ambtenaren berekenen exact hoeveel vaten er nodig zijn (10.000 vaten voor de stad) gebaseerd op het aantal winkeliers en hun gemiddelde omzet.
2. Spanning tussen overheid en handel: Er is een duidelijke discussie over wie het financiële risico draagt. De handel wil garanties dat de gemeente onverkochte voorraden opkoopt tegen vastgestelde prijzen, terwijl de gemeente (bij monde van de Directeur van de Centrale Dienst) probeert de verantwoordelijkheid en het risico bij de handel te laten, maar wel de controle over de distributie ("zeggenschap") wil behouden.
3. Bureaucratische trots: De Directeur van de Centrale Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening prijst het Amsterdamse systeem als "fraaier en doelmatiger" dan dat van andere steden, wat duidt op een sterke lokale administratieve identiteit.
4. Terminologie: Het gebruik van de 'y' in plaats van 'ij' (zoals in blyven, zyn, onaannemelyk) is kenmerkend voor de schrijfmachine-stijl en spelling van die tijd. Het document dateert uit de winter van 1940-1941, de eerste winter van de Nederlandse bevolking onder de Duitse bezetting. Hoewel de beruchte Hongerwinter pas veel later (1944-1945) zou plaatsvinden, begon de schaarste direct na de inval in mei 1940.
De rol van de bezetter:
In de tekst wordt expliciet verwezen naar de "bezettende macht" die beslag zou kunnen leggen op de voorraden. Dit was een reële angst: de Duitsers vorderden grote hoeveelheden Nederlands voedsel voor eigen gebruik of voor transport naar Duitsland. De lokale overheid probeerde door middel van nauwkeurige planning en "blokkades" van voorraden de eigen burgerbevolking te beschermen tegen voedseltekorten.
Levensmiddelenvoorziening:
De "Centrale Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening" speelde een cruciale rol in de distributie van schaarse goederen. Vatgroenten waren essentieel omdat ze lang houdbaar waren en een belangrijke bron van vitamines vormden in een tijd waarin verse groenten in de winter nauwelijks beschikbaar waren. De "Centrale Markt" (nu het Food Center Amsterdam in West) fungeerde hierbij als het logistieke hart van de stad.