Archiefdocument
Origineel
20 juni 1941 (met latere kanttekeningen van november 1941). Bespreking ventvergunningen aan Israëlieten.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van den Regeeringscommissaris voor Amsterdam.
Vrijdag, 20 Juni 1941.
De Wethouder voor het Onderwijs, voor den Wethouder voor de Levensmiddelen, brengt tér tafel een nota van den Administrateur der afdeeling Levensmiddelen, in zake het uitreiken van nieuwe ventvergunningen aan Israëlieten. Uit deze nota blijkt, dat voor eenigen tijd door den Regeeringscommissaris is besloten, dat aan Israëlieten geen nieuwe ventvergunningen zullen worden gegeven. Daarna kwam het voorschrift, dat onder "Nieuwe" ventvergunningen ook moeten worden begrepen ventvergunningen van Israëlieten, wier ventvergunningen wegens ventschuld waren ingetrokken.
Nu zijn in de maand Mei door den Dienst van het Marktwezen nieuwe ventvergunningen uitgereikt, of juister gezegd, de bestaande verlengd. Onder deze verlengingen bevinden zich ook ventvergunningen van hen, die in een of meerdere jaren niet hebben gevent, doch voornemens zijn, dit beroep in 1941/1942 weder uit te oefenen. Hieronder zullen ongetwijfeld ook wel Israëlieten zijn. Anderzijds worden via de afdeeling Levensmiddelen ten Stadhuize ventvergunningen wederom uitgereikt aan hen wier ventvergunningen wegens ventschuld waren ingetrokken. Op het schriftelijk verzoek daartoe wordt dan steeds goedgunstig beschikt.
Bij de bepaling, aan Israëlieten zulk een ventvergunning te weigeren en deze ventvergunningen dus als nieuwe te beschouwen, is waarschijnlijk alleen gedacht aan genoemde handelingen ter Secretarie. Hierdoor is een onjuistheid ontstaan ten opzichte van de door den Dienst van het Marktwezen uitgereikte ventvergunningen.
Genoemde Administrateur verzoekt, goed te keuren, dat aan Israëlieten, wier vergunning wegens ventschuld is ingetrokken en die deze wenschen te voldoen, een nieuwe ventvergunning wordt uitgereikt.
De Regeeringscommissaris heeft hiertegen geen bezwaar, mits het aantal te verleenen vergunningen gelimiteerd wordt tot [handgeschreven: intrekking alle vergunningen in 1940!]
[Handgeschreven kanttekeningen links:]
In zwart/potlood: Met Mr. [onleesbaar] besproken / [onleesbaar] / 7 Nov '41 [initialen]
In rood: Mr Rutten is van oordeel dat het verlengen van ventvergunningen niet betekent het uitreiken van nieuwe vergunningen. Deze worden dus terecht verlengd. 7-11-41 [initialen]
In zwart onderaan: En wanneer de vergunning om een andere reden dan wanbetaling is ingetrokken? (Intrekking alle vergunningen in 1940!)
--- Dit document illustreert de zogenaamde "wettelijke" uitsluiting van Joden tijdens de Duitse bezetting. De kern van het document is een juridische haarkloverij over wat een "nieuwe" vergunning is.
De Regeeringscommissaris had namelijk verboden om nog nieuwe vergunningen aan Joden ("Israëlieten") te verstrekken. De bureaucratie liep echter vast op twee punten:
1. Ventschuld: Joden die hun vergunning kwijt waren geraakt omdat ze hun leges niet konden betalen (ventschuld), maar dit later alsnog wilden betalen. Viel een heruitgave dan onder "nieuwe" vergunningen?
2. Verlenging vs. Nieuw: De Dienst van het Marktwezen verlengde bestaande vergunningen, ook als die al jaren niet gebruikt waren.
De tekst toont een zekere administratieve willekeur. Terwijl de ene afdeling (Marktwezen) soepeler lijkt om te gaan met verlengingen, probeert de afdeling Levensmiddelen richtlijnen te krijgen voor gevallen van herstel na schuld. De handgeschreven rode notitie van november 1941 van "Mr. Rutten" is cruciaal: hij concludeert dat verlenging géén nieuwe uitgifte is, waardoor een kleine groep Joodse handelaren in theorie hun werk nog even mocht voortzetten.
--- In juni 1941 was de bezetting ruim een jaar onderweg. De democratisch gekozen burgemeester en wethouders van Amsterdam waren vervangen door een door de Duitsers benoemde "Regeeringscommissaris", Edward Voûte.
Het document is een schakel in de keten van de economische uitsluiting van Joden, ook wel "Arisering" genoemd. Door Joden de toegang tot eenvoudige beroepen zoals straathandel (venten) te ontzeggen, werden zij systematisch van hun middelen van bestaan beroofd. Dit was een voorfase van de uiteindelijke deportaties.
De term "Israëlieten" was destijds de formele Nederlandse aanduiding voor Joodse burgers. De verwarring tussen verschillende diensten (Marktwezen, Levensmiddelen, Secretarie) laat zien hoe de Amsterdamse ambtenarij meewerkte aan het uitvoeren van discriminerende maatregelen, waarbij men zich vaak beperkte tot de strikte juridische interpretatie van de verordeningen zonder de morele implicaties ter discussie te stellen. De aantekening "Intrekking alle vergunningen in 1940!" onderaan suggereert dat er al eerder een grootschalige sanering van vergunningen had plaatsgevonden.