Archiefdocument
Origineel
14 oktober 1941 No: 951 h.M. '41
20 Lm (PVD) 1941
No 10/15/7 M. 1941 29/10
835 Markten
14 October 1941.
[Handgeschreven aantekeningen, o.a. "m. de Haan", "d.v.H."]
Gezien
[Paraaf]
Ingevolge Uw opdracht is door mij onderzocht op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan de bepalingen in artikel 2, jo.art.4 van de Verordening van den Commissaris-Generaal voor de Veiligheid van 18 September j.l. over het optreden van Joden in het openbaar.
Het aanvankelijk onderzoek leidde tot het resultaat dat, zoo er naar gestreefd moest worden slechts daar markten voor Joodsche kooplieden te doen zijn waar een Joodsche bevolking van beteekenenden omvang woont, er dan plaats zou zijn voor het instandhouden van de Nieuwmarkt en het Waterlooplein met de daaraan verbonden markt aan den Zwanenburgwal, als zijnde markten, welke nagenoeg uitsluitend door Joodsche kooplieden bezet zijn, terwijl voorts voor de Oosterpark- en Transvaalbuurt, met een gezamenlijke Joodsche bevolking van rond 22.000 personen een markt zou kunnen worden gevestigd aan den Tugelaweg en voor het gedeelte van het Zuidelijk stadskwartier, begrensd door Ceintuurbaan, Rivierenlaan, Amstel en Boerenwetering, waar een Joodsche bevolking van 21.000 personen woont, een markt aan de Uiterwaardenstraat hoek Hunzestraat zou kunnen worden gevestigd.
Nader overleg tusschen U en bevoegde Duitsche autoriteiten leidde tot de opdracht te zoeken naar omsloten marktterreinen, zoodat op eenvoudige wijze contrôle kan worden uitgeoefend op het bezoek aan deze markten, welke uitsluitend door de Joodsche bevolking zou mogen geschieden.
Laatstbedoeld onderzoek heeft er toe geleid, dat geen andere terreinen als hier bedoeld in aanmerking kunnen komen, dan kinderspeel- of sportterreinen. Gebonden te zoeken in buurten, waar een beteekenend aantal van de Joodsche bevolking woont, kan U thans worden voorgesteld om voor het houden van Joodsche markten te gebruiken: 1o. de kinderspeelplaats Centrum aan het Waterlooplein; 2o. den Oosterspeeltuin aan de Joubertstraat en 3o. den Speeltuin, Afdeeling Zuid aan de Gaaspstraat.
den heer Burgemeester. Dit document vormt een administratieve neerslag van de toenemende isolatie en segregatie van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is de verschuiving van beleid:
1. Aanvankelijk plan: Men wilde markten waar al veel Joodse kooplui stonden (Nieuwmarkt, Waterlooplein) behouden en nieuwe locaties zoeken in wijken met een grote Joodse populatie (Transvaalbuurt, Rivierenbuurt).
2. Duitse eis: Na overleg met de "bevoegde Duitsche autoriteiten" verandert de eis. De markten mogen niet meer op de openbare weg plaatsvinden, maar moeten op "omsloten terreinen" (omheinde plekken) georganiseerd worden.
3. Doel: De reden hiervoor is expliciet: het uitoefenen van "contrôle" op het bezoek. Alleen Joden mochten deze markten nog bezoeken.
4. Resultaat: Men wijkt uit naar kinderspeeltuinen en sportterreinen omdat deze makkelijk af te sluiten zijn. Dit markeert de volledige verbanning van Joodse handel en sociaal leven uit de normale publieke ruimte naar afgezonderde reservaten. De genoemde "Verordening van 18 September 1941" (Verordening 138/1941) was een ingrijpende maatregel die de bewegingsvrijheid van Joden drastisch inperkte. Het verbood Joden deel te nemen aan openbare markten en legde de basis voor de gedwongen segregatie.
De locaties die in de brief worden voorgesteld (Gaaspstraat, Joubertstraat en het Waterlooplein-speelterrein) werden inderdaad in november 1941 als "Joodsche Markten" in gebruik genomen. Deze markten waren omheind met prikkeldraad of schuttingen en werden bewaakt. Voor de bezetter was dit een effectieve methode om de Joodse bevolking te concentreren, te controleren en te isoleren van de rest van de Amsterdamse burgers, wat een voorbode was van de latere deportaties. De burgemeester aan wie de brief gericht is, was de pro-Duitse Edward Voûte.