Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 19
Dossier 7
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

11 november 1941.

Origineel

11 november 1941. 18/15/8 M D/G.

                            *verzonden 11/11*
                                         11 November 1941.

Ariseering algemeene
dag- en weekmarkten.

                                den Heer Wethouder
                                     voor de Levensmiddelen,
                                          A l h i e r .

    By de uitvoering van de Verordening van 15 September

jl. inzake het deelnemen van Joden aan de markten doen zich
ten aanzien van de algemeene dag- en weekmarkten, welke sedert
3 November jl. zyn geariseerd, de volgende vraagpunten voor.

    1. Een aantal Joodsche kooplieden is met niet-Joodsche

vrouwen gehuwd. De vraag doet zich voor of deze niet-Joodsche
vrouwen een plaats mogen bezetten op de niet-Joodsche markten.
Ik merk hierby op, dat, wanneer de Joodsche echtgenoot
een vaste plaats zou bezetten op een Joodsche hulpmarkt, zyn
niet-Joodsche vrouw stellig niet voor een vaste plaats op een
niet-Joodsche markt in aanmerking kan komen, daar dit in stryd
zou zyn met het in artikel 16 van het Reglement op de Markten
bepaalde.
Het gaat derhalve om de vraag of de niet-Joodsche
echtgenoote een losse plaats of wanneer de Joodsche echtgenoot
geen plaats op de Joodsche hulpmarkten zou bezetten, een
vaste plaats op de niet-Joodsche markt kan bezetten. Meer
speciaal gaat het er hier naar myn meening om, of in deze ge-
vallen de Joodsche echtgenoot indirect aan de markten deel-
neemt. Ik wys er hierby nog op, dat contrôle hierop niet ge-
makkelyk zal zyn, daar op het persoonsbewys van de betreffende
vrouwen geen aanwyzing voorkomt, waaruit blykt, dat zy met
een Jood zyn gehuwd.

    2. De niet-Joodsche stallen- en karrenverhuurders hebben

de vraag gesteld of zy vóór en na markttyd op de Joodsche
markten materiaal voor het uitstallen van goederen mogen
brengen en weghalen, dat wil dus zeggen des morgens vóór 9 uur
en des avonds na markttyd. Naar myn meening nemen deze stallen
zetters direct noch indirect aan de markten deel, terwyl op
genoemde tyden geen Joden op deze terreinen aanwezig zyn.

    3. Mogen op de Joodsche hulpmarkten worden verkocht:
    a. scheerzeep, -mesjes en brillantine ?
    b. boodschappentasschen ?
    c. damestasschen ?
    d. kachels ?
    Met andere woorden kunnen deze artikelen worden gere-

kend tot de dagelyksche gebruiksartikelen ? Dit document is een treffend voorbeeld van de banale, bureaucratische aard van de Jodenvervolging in Nederland. Het behandelt de "ariseering" (het Jodenvrij maken) van de markten niet als een moreel vraagstuk, maar als een technisch-administratief probleem.

Kernpunten van het document:
* Gemengde huwelijken: De ambtenaar worstelt met de status van niet-Joodse vrouwen die getrouwd zijn met Joodse mannen. De angst bestaat dat de Joodse man via zijn vrouw alsnog "indirect" economisch actief kan blijven op de reguliere markt.
* Handhavingsproblemen: Er wordt opgemerkt dat het Persoonsbewijs (PB) van een niet-Joodse vrouw niet vermeldt of zij met een Jood is getrouwd, wat controle lastig maakt. Dit toont aan hoe de overheid zocht naar mazen in hun eigen registratiesysteem om uitsluiting waterdicht te maken.
* Logistieke scheiding: Zelfs voor niet-Joodse dienstverleners (stallenverhuurders) moet worden vastgelegd of zij op Joodse markten mogen werken. De redenering is dat dit mag, mits er op dat moment geen Joden aanwezig zijn.
* Inperking van goederen: Er wordt strikt gevraagd welke goederen op Joodse markten verkocht mogen worden. De bezetter wilde de Joodse markten beperken tot de allernoodzakelijkste "dagelijkse gebruiksartikelen". In september 1941 vaardigde de Rijkscommissaris verordening 198/41 uit, die Joden verbood deel te nemen aan openbare markten. In Amsterdam leidde dit vanaf november 1941 tot de oprichting van specifieke "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en de Joubertstraat), waar Joden onderling nog handel mochten drijven.

De term "ariseering" in de kop van de brief verwijst naar het proces waarbij Joodse ondernemers en handelaren uit het economische verkeer werden gestoten ten gunste van "Ariërs". Dit document toont hoe de Amsterdamse gemeentelijke bureaucratie nauwgezet meewerkte aan de uitvoering van deze discriminerende maatregelen door de details van de uitvoering tot op het niveau van "scheerzeep" en "kachels" uit te werken.

Samenvatting

Dit document is een treffend voorbeeld van de banale, bureaucratische aard van de Jodenvervolging in Nederland. Het behandelt de "ariseering" (het Jodenvrij maken) van de markten niet als een moreel vraagstuk, maar als een technisch-administratief probleem.

Kernpunten van het document:
* Gemengde huwelijken: De ambtenaar worstelt met de status van niet-Joodse vrouwen die getrouwd zijn met Joodse mannen. De angst bestaat dat de Joodse man via zijn vrouw alsnog "indirect" economisch actief kan blijven op de reguliere markt.
* Handhavingsproblemen: Er wordt opgemerkt dat het Persoonsbewijs (PB) van een niet-Joodse vrouw niet vermeldt of zij met een Jood is getrouwd, wat controle lastig maakt. Dit toont aan hoe de overheid zocht naar mazen in hun eigen registratiesysteem om uitsluiting waterdicht te maken.
* Logistieke scheiding: Zelfs voor niet-Joodse dienstverleners (stallenverhuurders) moet worden vastgelegd of zij op Joodse markten mogen werken. De redenering is dat dit mag, mits er op dat moment geen Joden aanwezig zijn.
* Inperking van goederen: Er wordt strikt gevraagd welke goederen op Joodse markten verkocht mogen worden. De bezetter wilde de Joodse markten beperken tot de allernoodzakelijkste "dagelijkse gebruiksartikelen".

Historische Context

In september 1941 vaardigde de Rijkscommissaris verordening 198/41 uit, die Joden verbood deel te nemen aan openbare markten. In Amsterdam leidde dit vanaf november 1941 tot de oprichting van specifieke "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en de Joubertstraat), waar Joden onderling nog handel mochten drijven.

De term "ariseering" in de kop van de brief verwijst naar het proces waarbij Joodse ondernemers en handelaren uit het economische verkeer werden gestoten ten gunste van "Ariërs". Dit document toont hoe de Amsterdamse gemeentelijke bureaucratie nauwgezet meewerkte aan de uitvoering van deze discriminerende maatregelen door de details van de uitvoering tot op het niveau van "scheerzeep" en "kachels" uit te werken.

Kooplieden in dit dossier 3

J. Evertsenstraat Waterlooplein
V.V.O. Waterlooplein
T. Katestraat Waterlooplein

Gerelateerde Documenten 3