Ambbtelijke memo / Conceptbrief
Origineel
Ambbtelijke memo / Conceptbrief 7 november 1941 W.L.M. (vermoedelijk een ambtenaar van de Marktwezen-administratie) Ariseering algemeene dag- en weekmarkten [onderstreept]
A’dam, 7/11 1941
W.L.M.
[Rood stempel: 18/15/8 M]
Bij de uitvoering van de Verordening van 15 September jl. i.z. het deelnemen van Joden aan de markten doen zich t.a.v. de algemeene dag- en weekmarkten, welke sedert 3 Nov. jl. zijn geariseerd, de volgende vraagpunten voor, waarover ik gaarne van het Gemeente-bestuur een uitspraak zal ontvangen.
- Een aantal Joodsche kooplieden is met niet-Joodsche vrouwen gehuwd. De vraag doet zich voor of deze met niet-Joodsche vrouwen een plaats mogen bezetten op de niet-Joodsche markten.
Ik merk hierbij op, dat, wanneer de Joodsche echtgenoot een vaste plaats zou bezetten op een Joodsche hulpmarkt, zijn niet-Joodsche vrouw stellig niet voor een vaste plaats op een niet-Joodsche markt in aanmerking kan komen daar dit in strijd zou zijn met het in art. 16 van het R.V.M. bepaalde.
Het gaat derhalve om de vraag of de niet-Joodsche echtgenoote een losse plaats of, wanneer de Joodsche echtgenoot geen plaats op de Joodsche hulpmarkten zou bezetten, een vaste plaats op de niet-Joodsche markt kan bezetten. Meer speciaal gaat het er hier n.m.m. om, of in deze gevallen de Joodsche echtgenoot indirect [onderstreept] aan de markten deelneemt. Ik wijs er hierbij nog op, dat contrôle hierop niet gemakkelijk zal zijn daar op het persoonsbewijs van de betreffende vrouwen geen aanwijzing voorkomt, waaruit blijkt, dat zij met een Jood zijn gehuwd.
- De vraag is gesteld of de niet-Joodsche vrouwen der Joodsche kooplieden toegang kan worden verleend tot de Joodsche hulpmarkten om aldaar hun echtgenooten bij den verkoop te assisteeren. Indien deze vraag ontkennend zou worden beantwoord, zoodat deze vrouwen dus… [tekst breekt af] Dit document illustreert de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Na de verordening van 15 september 1941 (VO 182/41), die Joden verbood deel te nemen aan openbare markten, ontstonden er juridische en praktische complicaties bij "gemengd gehuwden".
De kern van het probleem in dit document is tweeledig:
1. Economische uitsluiting: Mag de niet-Joodse partner van een Joodse man wel op de reguliere ("geäriseerde") markt staan? De ambtenaar vreest dat de Joodse man via zijn vrouw alsnog "indirect" winst maakt of invloed uitoefent op de reguliere markt.
2. Handhavingsproblematiek: De ambtenaar merkt scherp op dat de segregatie lastig te controleren is, omdat op het Persoonsbewijs van de niet-Joodse vrouw niet zichtbaar is dat zij met een Joodse man is getrouwd (zij had immers geen 'J' in haar bewijs).
De toon is zakelijk en procedureel, wat het proces van rechtsontneming en sociale isolatie ("Ariseering") kenmerkt als een administratieve exercitie. In november 1941 was de isolatie van de Joodse bevolking in Amsterdam in volle gang. In de maanden voorafgaand aan dit document werden Joden stapsgewijs uit het openbare leven geweerd. Specifiek voor de marktkooplui werden er zogeheten "Joodsche hulpmarkten" ingesteld (zoals bij de Gaaspstraat en het Waterlooplein), waar Joodse handelaren uitsluitend aan Joodse klanten mochten verkopen.
De termen "Ariseering" (ariseren) verwijzen naar het onteigenen van Joods bezit of het "Jodenvrij" maken van economische sectoren. Het document laat zien hoe de bezetter en het meewerkende gemeentebestuur worstelden met de grijze gebieden die ontstonden door gemengde huwelijken, waarbij de racistische logica van de nazi's botste met de bestaande praktijk van de Amsterdamse marktwereld.