Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 31
Dossier 17
Jaar 1941
Stadsarchief

Officiële correspondentie (brief) van de Gemeente Amsterdam.

18 november 1941. Van: De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen van de Gemeente Amsterdam. Aan: De Directeur van den Dienst van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam.

Origineel

Officiële correspondentie (brief) van de Gemeente Amsterdam. 18 november 1941. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen van de Gemeente Amsterdam. De Directeur van den Dienst van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam. GEMEENTE AMSTERDAM

AMSTERDAM, 18 November 1941.

AFD. L.M.
No. 1050 (1941).
BIJLAGEN

MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING
VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.

[Blauwe stempel: № 18/15/8 M. 1941 19/11]
[Handgeschreven aantekening in blauw: v.z. Dir. Marktwezen]

In antwoord op Uw schrijven van 11 November j.l., No. 18/15/8 M, bericht ik U het volgende.

Ad 1. Het Reglement op de Markten bepaalt in art. 16, dat zoowel de man als de vrouw, met een kleine restrictie, tegelijkertijd ieder een plaats op de markten kunnen bezetten. Zoo zou het dus volgens het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel geoorloofd zijn, dat een Joodsche man een vaste plaats inneemt op een Joodsche markt, terwijl zijn Arische vrouw een losse plaats op een niet-Joodsche markt inneemt. In deze kwestie moet echter in de eerste plaats rekening worden gehouden met de Verordening van den Rijkscommissaris betreffende het optreden van Joden in het openbaar (Gemeenteblad 1941, afd. IV, volgn. 595), waarin in art. 2 aan Joden o.m. ook het "indirect" deelnemen aan openbare markten verboden is. Eenige weken geleden werd mij door een Joodschen marktkoopman schriftelijk gevraagd, of zijn Arische vrouw eventueel zijn plaats op de gewone openbare markt zou mogen bezetten. Ik heb hem toen medegedeeld, dat dit niet geoorloofd zou zijn, daar het indirect deelnemen is aan een openbare markt door een Jood. Op denzelfden grond acht ik het uitgesloten, dat aan de Arische vrouw van een Joodschen koopman (op een der Jodenmarkten), een losse plaats wordt verstrekt op een gewone openbare markt. De man(Jood) zou dan — hetzij door inkoopen voor zijn vrouw of anderszins — indirect deelnemen aan laatstbedoelde markt, hetgeen verboden is.

Ad 2. Ik deel wat dit punt betreft Uw meening.

Ad 3. Deze vraag beantwoord ik in bevestigenden zin.

HD

De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,

[Handtekening]

Aan den Heer Directeur van den
Dienst van het Marktwezen,
Jan van Galenstraat 14,
Amsterdam (W).

Model G.A. 6
50.000—10—'37 Dit document vormt een schrijnend voorbeeld van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De kern van de brief is de interpretatie van het begrip "indirect deelnemen". De wethouder stelt dat een niet-Joodse ("Arische") vrouw geen marktplaats mag hebben op een reguliere markt als haar echtgenoot Joods is.

Hoewel de reguliere Amsterdamse marktverordening (art. 16) echtparen toestaat beiden een kraam te hebben, wordt dit recht hier expliciet terzijde geschoven ten gunste van de nazi-verordeningen. De redenering is dat een Joodse man via zijn vrouw invloed zou kunnen uitoefenen op de "Arische" markt (bijvoorbeeld door de inkoop van goederen), wat volgens de bezetter verboden was. Hiermee werd de economische uitsluiting van Joden tot in de privésfeer van gemengde huwelijken doorgevoerd. In de loop van 1941 nam de intensiteit van de anti-Joodse maatregelen in Nederland snel toe. In september 1941 werden in Amsterdam specifieke "Jodenmarkten" ingesteld (zoals op het Waterlooplein en in de Gaaspstraat). Joden mochten vanaf dat moment alleen nog op deze markten handelen en kopen; de reguliere markten werden voor hen verboden terrein ("Juden unerwünscht").

De brief verwijst naar de Verordening van den Rijkscommissaris betreffende het optreden van Joden in het openbaar (Verordening 138/1941), die de bewegingsvrijheid van Joden drastisch inperkte. De ontvanger van de brief, de Dienst van het Marktwezen, was gevestigd bij de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat, het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Het document laat zien hoe Nederlandse gemeenteambtenaren de discriminerende rassenwetten van de bezetter nauwgezet en zonder protest vertaalden naar de dagelijkse praktijk van de stad.

Samenvatting

Dit document vormt een schrijnend voorbeeld van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De kern van de brief is de interpretatie van het begrip "indirect deelnemen". De wethouder stelt dat een niet-Joodse ("Arische") vrouw geen marktplaats mag hebben op een reguliere markt als haar echtgenoot Joods is.

Hoewel de reguliere Amsterdamse marktverordening (art. 16) echtparen toestaat beiden een kraam te hebben, wordt dit recht hier expliciet terzijde geschoven ten gunste van de nazi-verordeningen. De redenering is dat een Joodse man via zijn vrouw invloed zou kunnen uitoefenen op de "Arische" markt (bijvoorbeeld door de inkoop van goederen), wat volgens de bezetter verboden was. Hiermee werd de economische uitsluiting van Joden tot in de privésfeer van gemengde huwelijken doorgevoerd.

Historische Context

In de loop van 1941 nam de intensiteit van de anti-Joodse maatregelen in Nederland snel toe. In september 1941 werden in Amsterdam specifieke "Jodenmarkten" ingesteld (zoals op het Waterlooplein en in de Gaaspstraat). Joden mochten vanaf dat moment alleen nog op deze markten handelen en kopen; de reguliere markten werden voor hen verboden terrein ("Juden unerwünscht").

De brief verwijst naar de Verordening van den Rijkscommissaris betreffende het optreden van Joden in het openbaar (Verordening 138/1941), die de bewegingsvrijheid van Joden drastisch inperkte. De ontvanger van de brief, de Dienst van het Marktwezen, was gevestigd bij de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat, het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Het document laat zien hoe Nederlandse gemeenteambtenaren de discriminerende rassenwetten van de bezetter nauwgezet en zonder protest vertaalden naar de dagelijkse praktijk van de stad.

Kooplieden in dit dossier 3

J. Evertsenstraat Waterlooplein
V.V.O. Waterlooplein
T. Katestraat Waterlooplein

Gerelateerde Documenten 3