Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam. 3 juni 1935. Gemeente Amsterdam (waarschijnlijk namens de Burgemeester of bevoegde Wethouder). Den heer Voorzitter van de Permanente Commissie van Advies inzake ventvergunningen. GEMEENTE AMSTERDAM
Nº 18/156 [stempel: II. 1935 4/6]
AMSTERDAM, 3 Juni 1935.
AFD. L.M.
No. 725 (1935).
BIJLAGEN
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
Zooals U bekend is, hebben verschillende firma's, welke consumptie-ijs laten uitventen, zooals Davia, Voco, Arofa e.a. zich herhaaldelyk tot my gewend met de mededeeling, dat zy door de bepalingen der Ventverordening worden belemmerd in de uitoefening van hun bedryf, daar zy er niet in konden slagen voldoende personen, die in het bezit van een ventvergunning zyn, in hun dienst te nemen. Zy voegden aan deze mededeeling toe het verzoek te bevorderen, dat aan hun bedryven een aantal ventvergunningen wordt verstrekt en zoo dit niet mogelyk zou zyn, dat dan alsnog vergunningen worden uitgereikt aan die personen, welke als venter in hun dienst willen treden.
Mede op advies Uwer Commissie werden deze verzoeken steeds afgewezen. By het bepalen van myn standpunt ter zake ben ik afgegaan op de door Uw Commissie uitgesproken verwachting, dat het bedoelden firma's vry gemakkelyk zou vallen hun personeel te betrekken uit het groote aantal houders van ventvergunningen, die volledigen steun genieten.
Evenwel is in de laatste weken gebleken, dat deze verwachting niet is verwezenlykt. Ondanks de bemoeiingen van den Dienst van het Marktwezen en vooral ook van het Bureau voor Maatschappelyken Steun mocht het verschillenden firma's niet gelukken voldoende venters uit de gesteunde houders van ventvergunningen te betrekken.
Waar ik van oordeel ben, dat deze firma's, welke reeds sinds September 1933 te Amsterdam zyn gevestigd, niet mogen worden belemmerd in de uitoefening van hun bedryf, heb ik my genoodzaakt gezien myn aanvankelyk ingenomen standpunt te wyzigen en heb ik opdracht gegeven deze firma's te helpen door alsnog ventvergunningen tot een beperkt aantal uit te reiken aan personen, die blykens een verklaring dier firma's, als venter in hun dienst willen treden.
Aan den heer Voorzitter van de Permanente Commissie van Advies inzake ventvergunningen.
[Linksonder:]
Model G.A. 6
25.000–4–'35
[Handgeschreven rechtsonder:]
18. Dit document illustreert een conflict tussen gemeentelijke regelgeving en de economische praktijk in de jaren '30. De kernpunten zijn:
- Arbeidskrapte in een crisistijd: Ondanks de hoge werkloosheid (de crisisjaren) slaagden ijsfirma’s zoals Davia, Voco en Arofa er niet in om personeel te vinden onder de bestaande vergunninghouders die een steunuitkering ontvingen.
- Belemmering door regelgeving: De 'Ventverordening' werkte als een barrière. Alleen mensen met een vergunning mochten ijs verkopen, maar de beschikbare vergunninghouders (vaak werklozen in de steun) bleken niet bereid of geschikt om voor deze specifieke firma's te werken.
- Beleidswijziging: De gemeente erkent dat haar eerdere verwachting — dat de markt zichzelf zou reguleren via de kaartenbakken van de sociale steun — onjuist was. Om de bedrijfsvoering van gevestigde bedrijven niet in gevaar te brengen, besluit men extra vergunningen uit te geven voor specifiek door de bedrijven aangedragen personeel. * Tijdsbeeld: 1935 was een dieptepunt in de Grote Depressie. De overheid probeerde via vergunningstelsels de concurrentie op straat te reguleren en werklozen ("gesteunden") aan het werk te helpen.
- Consumptie-ijs: In de jaren '30 kwam de industriële productie van consumptie-ijs op. Bedrijven als Davia en Voco waren bekende namen in het Amsterdamse straatbeeld. Hun bedrijfsmodel leunde zwaar op 'ijscomannen' met bakfietsen of karren.
- Sociale Controle: De brief noemt het Bureau voor Maatschappelyken Steun. Dit bureau hield toezicht op werklozen. Het feit dat zij er niet in slaagden mensen naar de ijsverkoop te dirigeren, duidt mogelijk op de zwaarte van het werk of de lage verdiensten (vaak op commissiebasis), waardoor werklozen liever in de steun bleven dan dit onzekere werk aan te nemen.