Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 100
Jaar 1941
Stadsarchief

Notulen/verslag (pagina 2).

Verwijst naar een brief van 8 november 1933; de vergadering vond kort daarna plaats.

Origineel

Notulen/verslag (pagina 2). Verwijst naar een brief van 8 november 1933; de vergadering vond kort daarna plaats. 2

ters reeds in het bezit van een vergunning moeten zyn en het advies van de Commissie is geweest niet over te gaan tot het verstrekken van deze vergunningen, tenzy door den betreffen-den aanvrager kan worden aangetoond, dat hy reeds "venter", in welk artikel dan ook, is. (Zie verder pag. 6 onderaan van de notulen der zesde vergadering). Het betreft hier de aan-vragen van S. Bleekveld en L.v. Memert. Daar deze materie op het speciaal terrein van den heer Presser ligt, worden de stukken aan den heer Presser gegeven met verzoek om ze vóór Vrydag 24 November a.s. met een rapport weder in te leveren. De heer Presser zegt dit toe.

De heer Cohen zegt, dat de Hoofdcommissaris het op prys zal stellen, indien deze aanvragen ook politioneel zouden kunnen worden bekeken.

De Voorzitter antwoordt, dat dit reeds is geschied, waarna de heer Cohen dit verzoek laat vervallen.

Vervolgens stelt de Voorzitter punt 2 der agenda aan de orde:
Brief dd. 8 November 1933 No. 770 I.M. van den Wethouder voor de Levensmiddelen over de voorgestelde regeling voor venters in consumptieys in dienst by fabrikanten. (In afschrift gezonden).

Hy begint met op te merken, dat het niet de bedoeling van de Commissie is geweest, dat, indien een venter in loondienst wordt ontslagen, zyn vergunning dan zal moeten worden ingetrokken. De Wethouder schryft onze Commissie wel deze opvatting toe en wyst in dit verband op alinea 4 van het advies der Permanente Commissie inzake de "Uco-ondernemingen". Deze luidt: "In de byzondere voorwaarden der betreffende vergunningen zal moeten worden opgenomen de bepaling, dat de vergunning slechts geldig is wanneer en voor zoolang de houder werkt onder geleide van een chéf-gemachtigde". Hieruit heeft men afgeleid, dat de vergunning, by ontslag, niet meer geldig zal zyn. Dit is echter niet de bedoeling geweest van dit voorstel. De Commissie was integendeel van oordeel, dat den venter by ontslag uit loondienst desgewenscht een ver-gunning voor het door hem gevraagde artikel zou moeten wor-den verstrekt. De vergadering besluit dit den Wethouder in de eerste plaats te berichten.

De Voorzitter zet vervolgens nog eens uiteen, dat de Perm. Commissie heeft geadviseerd, dat de venters in loondienst persoonlyke vergunningen moeten hebben en dat de ondernemin-gen steeds uit het venterscorps hun personeel moeten kiezen. Hun is evenwel toegezegd den Wethouder te zullen adviseeren, dat wanneer hy ontslag van personeel geen keus uit dit corps van plus minus 7.000 man zou kunnen worden gedaan, zy dan geholpen zouden moeten worden met menschen van buiten het venterscorps. Tevens, dat ze zich by hun keus tot niet alleen de ysventers zouden behoeven te beperken.

De heer Neeter is van meening, dat er gezegd is, dat "getracht" zou moe-ten worden hen te helpen, doch de Voorzitter bestrydt dit en zegt, dat den fabrikanten een positieve toezegging is ge-daan, hetgeen den Wethouder zou worden verzocht van te voren schriftelyk te bevestigen.

De heer Seegers bevestigt, dat de menschen alleen dan geholpen zouden worden, indien niet meer over geschikte krachten uit het totale venterscorps zou kunnen worden beschikt. * Context van vergunningen: Het document beschrijft de bureaucratische afhandeling van ventvergunningen in de jaren '30. Er is een strikt beleid: men krijgt alleen een vergunning als men kan aantonen reeds "venter" te zijn.
* Juridische haarkloverij: Er ontstaat een discussie over de interpretatie van een bepaling over "chéf-gemachtigden". De commissie wil voorkomen dat een venter zijn broodwinning verliest zodra hij ontslagen wordt door een fabrikant; zij pleiten ervoor dat de vergunning in dat geval behouden blijft voor persoonlijk gebruik.
* Arbeidsmarkt: Er wordt gesproken over een "venterscorps" van circa 7.000 man. Dit wijst op de enorme omvang van de straathandel in die tijd, waarschijnlijk in Amsterdam (gezien de referentie naar de Wethouder voor de Levensmiddelen).
* Ijsverkoop: Een specifiek punt van zorg is de regeling voor "consumptieys" (consumptie-ijs), waarbij fabrikanten personeel inhuren. Dit document stamt uit de crisisjaren 30. In deze periode was straathandel voor velen een laatste redmiddel om aan een inkomen te komen, maar de overheid probeerde dit met een woud aan vergunningen en regels in te dammen om "wildgroei" en overlast te voorkomen.

De discussie over de ijsventers is historisch interessant omdat de ijsindustrie in die tijd professionaliseerde (denk aan bedrijven zoals Jamin). De overheid en de commissies probeerden een balans te vinden tussen de belangen van grote fabrikanten en de individuele rechten van de kleine zelfstandige venter. De genoemde "Uco-ondernemingen" verwijst waarschijnlijk naar een specifieke organisatiestructuur of een samenwerkingsverband van die tijd.

Samenvatting

  • Context van vergunningen: Het document beschrijft de bureaucratische afhandeling van ventvergunningen in de jaren '30. Er is een strikt beleid: men krijgt alleen een vergunning als men kan aantonen reeds "venter" te zijn.
  • Juridische haarkloverij: Er ontstaat een discussie over de interpretatie van een bepaling over "chéf-gemachtigden". De commissie wil voorkomen dat een venter zijn broodwinning verliest zodra hij ontslagen wordt door een fabrikant; zij pleiten ervoor dat de vergunning in dat geval behouden blijft voor persoonlijk gebruik.
  • Arbeidsmarkt: Er wordt gesproken over een "venterscorps" van circa 7.000 man. Dit wijst op de enorme omvang van de straathandel in die tijd, waarschijnlijk in Amsterdam (gezien de referentie naar de Wethouder voor de Levensmiddelen).
  • Ijsverkoop: Een specifiek punt van zorg is de regeling voor "consumptieys" (consumptie-ijs), waarbij fabrikanten personeel inhuren.

Historische Context

Dit document stamt uit de crisisjaren 30. In deze periode was straathandel voor velen een laatste redmiddel om aan een inkomen te komen, maar de overheid probeerde dit met een woud aan vergunningen en regels in te dammen om "wildgroei" en overlast te voorkomen.

De discussie over de ijsventers is historisch interessant omdat de ijsindustrie in die tijd professionaliseerde (denk aan bedrijven zoals Jamin). De overheid en de commissies probeerden een balans te vinden tussen de belangen van grote fabrikanten en de individuele rechten van de kleine zelfstandige venter. De genoemde "Uco-ondernemingen" verwijst waarschijnlijk naar een specifieke organisatiestructuur of een samenwerkingsverband van die tijd.

Kooplieden in dit dossier 3

J. Evertsenstraat Waterlooplein
V.V.O. Waterlooplein
T. Katestraat Waterlooplein

Gerelateerde Documenten 3