Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 101
Jaar 1941
Stadsarchief

Notulen/verslag van een vergadering (vermoedelijk commissievergadering).

Origineel

Notulen/verslag van een vergadering (vermoedelijk commissievergadering). 3

De Voorzitter wyst er op, dat het dus volstrekt niet de bedoeling van de Commissie is, dat wanneer de ysfabrikanten aan B.& W. verzoeken om personeel van buiten het venterscorps te mogen aanstellen, zulks maar direct zal worden toegestaan. Dit zal eerst zeer serieus moeten worden bekeken, zoodat er geen sprake van kan zyn, dat de door de Commissie voorgestelde regeling zal leiden tot een vry sterke toename van het aantal venters.

[Marginale notitie:] De heer Neeter merkt op, dat de Wethouder in zyn schryven zegt, dat het door hem (Wethouder) aangevoerde bezwaar (uitbreiding van het aantal ysventers) voor een belangryk deel zal komen te vervallen, indien wordt bepaald, dat de ventvergunning van een venter in loondienst wordt ingetrokken, zoodra zyn dienstbetrekking eindigt. Zulk een venter zou dus niet voor eigen rekening kunnen beginnen, waardoor uitbreiding van het venterscorps wordt tegengegaan.
De heer Neeter acht het gewenscht hieromtrent de praktyk maar eens af te wachten.

/door de voor-gestelde regeling van de Perm. Comm.

De heer Seegers zegt, dat de door den Wethouder voorgestelde regeling in stryd met de Ventverordening is.
In de eerste plaats blyft een venter in loondienst, zoodra zyn dienstbetrekking eindigt en hy voor zichzelf gaat beginnen, "venter" en is er dus geen grond om hem zyn vergunning te ontnemen en in de tweede plaats zyn de vergunningen persoonlyk en wordt dit persoonlyk karakter door deze voorwaarde van den Wethouder aangetast, daar dan de vergunning feitelyk eigendom van den patroon wordt.

De Voorzitter antwoordt, dat de eerste opmerking van den heer Seegers niet juist is, voor zoover betreft het in stryd zyn met de Ventverordening. De vergunning luidt immers tot wederopzeggens toe, zoodat deze wel degelyk kan worden ingetrokken. Overigens lykt hem de opmerking volkomen juist. De tweede opmerking weegt echter veel zwaarder en gezien van het standpunt van den werknemer is deze regeling niet acceptabel. De onafhankelyke positie van den venter komt hierdoor ernstig in gevaar daar hy dan alleen zyn vergunning behoudt, zoolang hy on loondienst blyft.
Hy is het met de meening van den heer Neeter eens, dat de praktyk moet worden afgewacht, d.w.z. de praktyk ten aanzien van de door de Commissie voorgestelde regeling. Hy wyst er echter nogmaals nadrukkelyk op, dat het kiezen van nieuw personeel buiten het venterscorps om niet aan de fabrikanten zal worden overgelaten.

De heer Seegers is het niet eens met de bestryding door den Voorzitter van zyn eerste opmerking en wyst in dit verband nog eens op het persoonlyke karakter van de vergunning, blykende uit de schriftelyke vergunning van B. & W. tot venten aan een ieder die venter is.

De Voorzitter geeft dit toe en merkt in dit verband op, dat het persoonlyke karakter van de vergunning door de door den Wethouder voorgestelde regeling zou worden aangetast. Men zou den venters in loondienst zoodoende slechts een beperkte vergunning geven, n.l. voor zoolang zy in loondienst zyn. De venters zullen daarvoor bedanken, zoodat men dan zeker den fabrikanten veel eerder zou moeten toestaan om venters van buiten het venterscorps aan te nemen, waardoor juist uitbreiding van het aantal Dit document verslaat een discussie over de juridische en praktische invulling van ventvergunningen voor ijsverkopers. De kern van het debat draait om drie punten:

  1. Marktbescherming: De angst voor een "vrij sterke toename" van het aantal ijsventers. De overheid wil de markt reguleren en voorkomen dat ijsfabrikanten naar eigen believen personeel van buiten het bestaande 'corps' aannemen.
  2. Rechtspositie van de venter: Er wordt gediscussieerd of een vergunning gekoppeld moet zijn aan een werkgever (loondienst) of aan de persoon van de venter zelf. De heer Seegers voert aan dat de vergunning "persoonlijk" is. Als de vergunning vervalt zodra de loondienst stopt, wordt de venter afhankelijk van zijn "patroon" (de fabrikant).
  3. Juridische houdbaarheid: Er is onenigheid of het intrekken van een vergunning na ontslag in strijd is met de Ventverordening. De Voorzitter stelt dat de vergunning "tot wederopzeggens toe" geldt, wat de gemeente juridische ruimte geeft, maar hij erkent de morele en praktische bezwaren tegen het aantasten van de onafhankelijke positie van de venter.

De discussie eindigt met de vrees dat te strenge regels voor venters in loondienst ertoe zullen leiden dat niemand meer in loondienst wil werken, wat fabrikanten weer een argument geeft om mensen van buiten het corps aan te trekken—precies wat men wilde voorkomen. Het document geeft een inkijkje in de Nederlandse lokale economie en regelgeving in het interbellum of de vroege naoorlogse periode. Straathandel, en specifiek het venten met consumptie-ijs, was een belangrijke vorm van kleine nering maar ook een bron van overlast en concurrentiestrijd.

Gemeenten probeerden via 'Ventverordeningen' de openbare orde te handhaven en de markt te reguleren. De discussie over 'persoonlijke vergunningen' versus 'loondienstgebonden vergunningen' raakt aan de opkomst van grotere ijsfabrikanten (de "patroons") tegenover de traditionele zelfstandige straatverkoper. De rol van "B. & W." als vergunningverlener toont de sterke sturende rol van de overheid in de lokale middenstand van die tijd. De gehanteerde spelling (bijv. "praktyk", "stryd", "ysfabrikanten") is kenmerkend voor de periode vóór de spellinghervorming van 1947 (hoewel deze spelling in ambtelijke stukken vaak langer bleef hangen).

Samenvatting

Dit document verslaat een discussie over de juridische en praktische invulling van ventvergunningen voor ijsverkopers. De kern van het debat draait om drie punten:

  1. Marktbescherming: De angst voor een "vrij sterke toename" van het aantal ijsventers. De overheid wil de markt reguleren en voorkomen dat ijsfabrikanten naar eigen believen personeel van buiten het bestaande 'corps' aannemen.
  2. Rechtspositie van de venter: Er wordt gediscussieerd of een vergunning gekoppeld moet zijn aan een werkgever (loondienst) of aan de persoon van de venter zelf. De heer Seegers voert aan dat de vergunning "persoonlijk" is. Als de vergunning vervalt zodra de loondienst stopt, wordt de venter afhankelijk van zijn "patroon" (de fabrikant).
  3. Juridische houdbaarheid: Er is onenigheid of het intrekken van een vergunning na ontslag in strijd is met de Ventverordening. De Voorzitter stelt dat de vergunning "tot wederopzeggens toe" geldt, wat de gemeente juridische ruimte geeft, maar hij erkent de morele en praktische bezwaren tegen het aantasten van de onafhankelijke positie van de venter.

De discussie eindigt met de vrees dat te strenge regels voor venters in loondienst ertoe zullen leiden dat niemand meer in loondienst wil werken, wat fabrikanten weer een argument geeft om mensen van buiten het corps aan te trekken—precies wat men wilde voorkomen.

Historische Context

Het document geeft een inkijkje in de Nederlandse lokale economie en regelgeving in het interbellum of de vroege naoorlogse periode. Straathandel, en specifiek het venten met consumptie-ijs, was een belangrijke vorm van kleine nering maar ook een bron van overlast en concurrentiestrijd.

Gemeenten probeerden via 'Ventverordeningen' de openbare orde te handhaven en de markt te reguleren. De discussie over 'persoonlijke vergunningen' versus 'loondienstgebonden vergunningen' raakt aan de opkomst van grotere ijsfabrikanten (de "patroons") tegenover de traditionele zelfstandige straatverkoper. De rol van "B. & W." als vergunningverlener toont de sterke sturende rol van de overheid in de lokale middenstand van die tijd. De gehanteerde spelling (bijv. "praktyk", "stryd", "ysfabrikanten") is kenmerkend voor de periode vóór de spellinghervorming van 1947 (hoewel deze spelling in ambtelijke stukken vaak langer bleef hangen).

Kooplieden in dit dossier 3

J. Evertsenstraat Waterlooplein
V.V.O. Waterlooplein
T. Katestraat Waterlooplein

Gerelateerde Documenten 3