Notities van een ambtelijke bespreking (notulen).
Origineel
Notities van een ambtelijke bespreking (notulen). 14 oktober 1941. N o t i t i e s van een bespreking op 14 October 1941 van den Directeur van het Marktwezen, den heer C.F. Sixma, den heer H.A. van Duinhoven en de grossiers, de heeren Dijkstra, Kramer en Bood.
O n d e r w e r p :
Winteropslag 1941/1942.
De heer Dijkstra deelt den Directeur mede, dat hier zijn verschenen de vertegenwoordigers van den groothandel, die in den afgeloopen winter in combinatie voor de Gemeente Amsterdam den winteropslag hebben verzorgd. Deze combinatie acht zich verplicht bij den Directeur te verschijnen om diens orders te vernemen.
De Directeur herinnert eraan, dat hij reeds een maand geleden met den handel over den winteropslag voor het nieuwe seizoen heeft gesproken. Intusschen heeft er van verschillende vertegenwoordigers der Gemeenten in Nederland een bespreking plaats gehad bij den heer Valstar over het onderwerp: Winterbevoorrading. De heer Valstar heeft daarbij medegedeeld, dat van de zijde van de Regeering maatregelen zullen worden genomen om de wintervoorziening in het algemeen veilig te stellen. Deze maatregelen zullen derhalve voor het geheele land worden genomen. Bij deze bespreking is echter gebleken, dat de voorziening van de steden gedurende een eventueele vorstperiode plaatselijk door de gemeenten kunnen worden bekeken; omtrent een en ander zal echter overleg met de Regeeringsinstanties moeten plaats hebben, opdat niet, zooals in den afgeloopen winter is gebeurd, in bepaalde gemeenten veel te groote voorraden zullen worden opgeslagen. De heer Valstar heeft hierbij meermalen Amsterdam als voorbeeld genoemd van de manier, waarop het wel moet. Spreker zegt dus, dat voor wat betreft de voorziening van de steden gedurende den geheelen winter geen maatregelen van plaatselijken aard behoeven te worden genomen. Het zal slechts mogelijk zijn op beperkten schaal opslag van bepaalde producten te reserveeren voor een eventueele vorstperiode.
De heer Dijkstra zegt, dat de grossiers-contactcommissie een onderzoek moet instellen naar de behoeften van elke stad in Nederland; dit onderzoek is opgedragen door het Bureau Prijsbeheersing.
De Directeur is hiermede op de hoogte, doch het is niet duidelijk geworden, waarom dit onderzoek vanwege genoemd Bureau wordt ingesteld. Intusschen heeft de heer Valstar, wiens bureau ook ressorteert onder het bureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd de zaak reeds aangesneden, waarom besprekingen ter zake met het Bureau Valstar zullen plaats vinden.
De heer Kramer acht het eveneens vreemd, dat het bureau Prijsbeheersing tot het instellen van een dergelijk onderzoek zou zijn overgegaan. Deze aangelegenheid moet landelijk worden gezien en moet gebeuren onder contrôle van de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale of het Centraal Bureau voor de Veilingen.
De handel vraagt hoe het, wat betreft de reserveering voor een eventueele vorstperiode zal gaan met de uitvoering. Men zegt, dat er thans geen uien en rapen te koop worden aangeboden.
De Directeur antwoordt, dat het hem bekend is, dat wanneer zulks noodig is, bepaalde producten zullen kunnen worden gevorderd via de veilingen.
De heer Dijkstra zegt, dat er maatregelen zijn genomen door de Regeering, waardoor men hoopt te bereiken, dat de winterproducten ook werkelijk voor den winter worden gereserveerd.
De heer Kramer stelt de vraag of het noodig is, dat in de bestaande combinatie van grossiers, die verleden jaar den winteropslag voor de Gemeente hebben verzorgd, bepaalde organisaties moeten worden ingeschakeld.
De Directeur antwoordt, dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet de zaak met een andere combinatie te behandelen, dan welke ten vorigen jare voor het bewuste doel is opgetreden.
De heer Dijkstra constateert, dat de Gemeente van het principe uitgaat, dat met dezelfde combinatie zaken zullen worden gedaan als verleden jaar. Het zal echter wellicht noodig zijn, dat van bepaalde veilingen artikelen worden gevorderd. Spreker dringt aan op de noodige spoed, opdat de combinatie tijdig haar maatregelen kan nemen. Spreker herinnert eraan, dat de combinatie verleden jaar net op het laatste moment en met veel geluk beslag op de noodige producten heeft kunnen leggen. Dit document verslaat een coördinatieoverleg tussen de Amsterdamse overheid en de private groothandel tijdens de bezettingsjaren. De kern van de discussie is de logistieke planning voor de voedselvoorraden ("winteropslag") om hongersnood of tekorten tijdens vorstperiodes te voorkomen.
Opvallend is de bureaucratische frictie tussen verschillende instanties:
1. Lokaal niveau: De Directeur van het Marktwezen wil de continuïteit van vorig jaar bewaren.
2. Centraal niveau: Het "Bureau Valstar" (onderdeel van de Rijksdienst voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd) probeert de bevoorrading landelijk te centraliseren om scheve verhoudingen tussen gemeenten te voorkomen.
3. Toezichthouders: Er is verwarring over de rol van het "Bureau Prijsbeheersing", dat zich onverwacht mengt in het onderzoek naar de behoeftebepaling.
De grossiers uiten hun zorgen over de actuele schaarste (er zijn op dat moment geen uien en rapen beschikbaar) en dringen aan op "vordering" (gedwongen afname via veilingen) om de voorraden veilig te stellen. De datum van het document, 14 oktober 1941, plaatst dit gesprek in de tweede winter van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de schaarste aan voedsel en brandstof hand over hand toe. De bezetter had de regie over de voedseldistributie strak in handen via de Rijksdienst voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVVO).
De genoemde "heer Valstar" is S.L. Louwes' rechterhand, dr. J.E. Valstar, die een cruciale rol speelde in de organisatie van de Nederlandse voedselvoorziening onder auspiciën van de bezetter, met als doel de bevolking op een minimumniveau te voeden en onrust te voorkomen.
Amsterdam werd hier als "voorbeeld" genoemd, wat wijst op een relatief efficiënte lokale organisatie van het Marktwezen onder Sixma, ondanks de steeds nijpender wordende tekorten en de toenemende druk van de centrale (en door de Duitsers gecontroleerde) organen. De angst voor een "vorstperiode" was gegrond; transport via waterwegen (belangrijk voor groenten) kwam bij ijsgang volledig stil te liggen, waardoor lokale opslag in de steden van levensbelang was.